De bel ging. Mopperend legde ik de krant aan de kant en liep naar de voordeur. Even daarvoor had ik buiten stemmen gehoord, vriendelijk, maar wel vasthoudend. Ik deed wantrouwig open. Ik hou niet van mensen aan de deur. Mijn adres kent een welvarende postcode ten minste in de databases van de liefdadigheid. Straten die goudmijnen beloven voor collectanten. Ik geef altijd aan goede doelen, al weigeren ze steeds vaker mijn contante gift. Machtigingen voor donaties dat is wat ze willen. Pleur op, denk ik dan. 

Deze bezoekers kwamen niet voor aalmoezen, maar voor mijn zielenheil. 

‘Goedemorgen meneer, dit is mijn tante Mona en dat mijn tante Jannet,’ wees het jongetje. Zijn haar zat in een strakke scheiding. De tantes lachten allervriendelijkst, bijna hemels. Het was warm buiten, toch zat het overhemd van de jongen tot het bovenste knoopje dicht. Tante Mona had het die ochtend dichtgeknoopt. En terwijl ze met wat spuug een paar weerbarstige haartjes platstreek, had ze haar neefje gevraagd: ‘Je weet wat je moet zeggen, hè?’ Hij knikte. 

‘Wijdt u weleens een gedachte aan de toekomst, meneer?’ Verbouwereerd vergat ik de deur dicht te smijten. Bovendien doe je dat niet bij kinderen, zeker niet als ze amper acht zijn. 

Acht? 

Hoort zo’n ventje op donderdagochtend niet op school te zitten, flitste het door me heen. Mijn ethiek werd overspoeld door een golf van barse agressie. Bits bekte ik de deurpredikers af. ‘Uiteraard heb ik mijn toekomst overdacht. Maar dat ga ik niet met jullie aan mijn voordeur delen.’ Ik gooide de deur dicht. 

Ze dropen af, blijmoedig. 

Wat een idioten, dacht ik, om hiervoor een kind te gebruiken. Alsof ik daar in zou trappen. En nu denk ik, ik had het kind moeten redden. Welke toekomst heeft dit jochie bij deze sektarische tantes die in Jezus’ naam met kinderen zeulen?