Met mijn moeder en zus reed ik deze week dagelijks naar mijn vader in Zwolle. Gelukkig zien we elke dag lichtpuntjes aan zijn ziekenhuisbed. Als bijrijder geef ik pepermuntjes en de parkeerkaart en adviseer ik bij het schakelen. Ik bedien de airco en wijs op interessante objecten. 'Kijk, het stadion van PEC Zwolle.' Dat Ron Jans hier trainer is, interesseert mijn zus geen bal; voetbal boeit haar niet (zij kwam ook nooit kijken in mijn Eemsboys-jaren). Mijn moeder hoort het niet; zij tuurt naar de verkeerslichten voor het IJsselvalleistadion.

Met mijn moeder erbij vliegt de reistijd. Vanachter het stuur, foeterend op trage caravans en boze blikken werpend op rechts inhalende wagens, haalt ze herinneringen op. ‘Hoe heette dat gezin dat tegenover de drukke weg woonde?’ Geen idee. Nieuwe aanwijzing: ‘Dat gezin met die moeder die elke dag een half uur sliep en dan de wekker zette.’ We weten het niet. ‘Dat gezin met die man die eerder getrouwd was en drie kinderen had en samen met die vrouw die overdag een half uur sliep en die de wekker zette, nog twee kinderen kreeg. Kom, hoe heette die nou?’ Niks. ‘Die kinderen konden zo goed leren, vooral die oudste. En ze waren van de kerk.’ ‘Dan ken ik ze niet,’ roep ik. 

We naderen het ziekenhuis. Voorbij het PEC-stadion herinnert mijn moeder de voornaam van de dochter en bij het parkeren volgt de achternaam. Nee, mijn moeder weet hoe je kinderen tijdens een lange autorit moet afleiden. Geef ze een raadsel. Morgen verstopt ze cadeautjes onder de bijrijdersstoel. Ook zo'n vakantietrucje. Ik wil een Playmobil in de kleuren van PEC. Ik zie me het ziekenhuis al binnenrennen: 'Kijk pap, een Ron-Jans-Playmobil.' Waarop hij vraagt: 'Ron Jans? Was die niet getrouwd met die vrouw die elke dag..'