Telefoon in de nacht is zelden goed nieuws. Nog voor ik opnam wist ik wat de boodschap zou zijn. De stem van mijn zus klonk angstaanjagend rustig. Even later reed ik met mijn lief door de nacht over de A28. Al het schaarse verkeer lieten we achter ons. Afrit na afrit passeerden we. Verder, sneller, door de duisternis. De mistflarden in Drenthe waren coulissen waar achter de ware gedaante van het leven stond. 

In Zwolle liet de nachtportier ons via een zijingang het ziekenhuis binnen. Hij wees ons de weg die we nu, na een week ziekenhuisbezoek, al zo goed kennen. In een wachtkamer vlakbij de operatiekamer zat mijn moeder. Alleen. Schrik en ongeloof zag ik in haar ogen. De tijd dat ze voor mij moest zorgen, ligt nu definitief voorbij. 

We wachtten. Mijn zus kwam binnen. Opnieuw wachten. 

Eindelijk mochten we mijn vader zien. Hij lag met een verband om zijn hoofd in een bed, temidden van slangen, buisjes verbonden aan apparatuur vol knipperende lichtjes en zacht zoemende elektronische geluiden. Elk signaal van het lichaam werd geregistreerd. Alleen, angst en verdriet zijn niet in digitale waarden te meten. Maar in elkaars ogen zagen we het wel degelijk. We wisten dat we elkaar nodig zouden hebben de komende uren. Uren die al snel dagen werden en dagen die uitliepen in weken.

In de ochtendspits reden we terug naar Groningen. Boven de velden van Drenthe kwam de zon op. Een grote rode bol kondigde aan dat het leven verder ging. Net als elke dag raasde het verkeer van hot naar her. De wereld draaide gewoon weer door. Niet voor mijn vader. Hij lag in een ziekenhuisbed, ademde zwaar, maar voelde dat wij bij hem zijn. Althans dat hoop ik. Meer kan ik namelijk niet doen. Bij hem zijn en zijn hand vasthouden. Zijn hand voelt nog altijd vertrouwd.