‘Wie van jullie spreekt Frans?’ Twee vingers gingen omhoog. De meeste eerstejaars geschiedenis staarden naar hun onbeduimelde exemplaar van het handboek oude geschiedenis. Ik dacht aan mijn lessen Frans op  de Mavo: ‘Papa fume une pipe’.

‘Wel, dan kan ik u verzekeren dat de meesten van u het doctoraal geschiedenis nooit zullen halen,’ stelde de grijzende docente hoofdschuddend vast. Ze liet haar ‘r’ rollen zoals ze dat diep in Haren gewoon zijn. Met moeite en met mijn Prisma pocketwoordenboek (op de kaft een roze Arc de Triomphe) had ik de Franse tekst over de Egyptische farao’s ontcijferd, alsof het een kleitablet vol hiërogliefen betrof. Ik had de opdrachten voor dit werkcollege maar half begrepen. ‘Elk jaar wordt het minder,’ zuchtte onze werkgroepbegeleidster. Met tegenzin begon ze het college dat enthousiasme noch kennis opwekte bij ons. Alles wat ik weet over de klassieke geschiedenis heb ik niet van haar. Mijn doctoraal haalde ik wel, ruim zelfs. En zonder ooit een letter Frans te hebben gelezen.

De colleges werden gegeven in het Nederlands. Vooral de oudere hoogleraren benadrukten hun hooggeleerdheid door elke zin op te fleuren met vleugjes Frans. Het Engels van de middelbare school volstond om het vuistdikke handboek Modern History door te ploegen. Onze opstellen (die papers genoemd werden) moesten we in correct Nederlands schrijven; dat was voor de meeste studenten een Sisyphus-arbeid (om toch enige klassieke kennis te tonen). Je werd genadeloos gecorrigeerd als je fouten maakte. Niet leuk, maar wel leerzaam.

Tegenwoordig is het anders. Colleges, studieboeken en presentaties moeten allemaal in het Engels. Goede beheersing van het Nederlands doet er niet meer toe. Niemand spreekt Engels zo goed dat die nuances en details kan waarnemen. En laat daar nou net de kern van de wetenschap in schuil gaan. ‘The devil is in the details.’ En daar is geen woord Frans bij.