Om twaalf uur ruim ik de glazen en flessen op. De kruimels van de borrelhapjes veeg ik onder de bank. 'Ik ga slapen,' zegt mijn zoon. 'Jij blijft wakker?' Ik knik en check het nachtelijke tijdschema. Eerst beachvolleybal en zevenkamp dames. Dan Ranomi’s laatste kans op eremetaal. Gevolgd door het moment van de nacht: de gouden spurt van Dafne. Al tijden wist ik dat ik vannacht niet zou slapen. Er wordt sportgeschiedenis geschreven en dat wil ik meemaken. Niets mooier om een sporter het collectieve geheugen te zien binnen dringen. In afwachting van Dafne en Ranomi zie ik andere oranje sporters gloriëren. 

Rond half twee beginnen mijn ogen te prikken. Wakker blijven. 

Dafne loopt zich warm. Haar machtige torso gehuld in een oranje shirt met lange mouwen. Zo'n shirt droeg Cruijff in de finale '74. Is dat wel een goed voorteken? 

De eerste keer dat ik mijn nachtrust opgaf voor sportgeschiedenis was in 1988: Seoul, 100 meter sprint. Ik zag Carl Lewis verliezen van Ben Johnson. Tevreden viel ik in slaap. Toen ik wakker werd, bleek het bedrog. Doping. Lewis alsnog kampioen. De magie was doorbroken. Sindsdien kon ik niet meer onbevangen en kinderlijk enthousiast naar sport kijken. Tot vannacht. Dafne en Ranomi staan voor schone sport. 

Dafne wuift in de camera. Ontspannen start ze en bereikt moeiteloos de finale, later deze nacht. Ik zet mijn wekker. Onder een dekentje doe ik op de bank een hazenslaapje. 

Voor Dafne en Ranomi geen vreugdedans of stralende gezichten. Wel tranen, strakke kaken en ongewoon bitse woorden. Ik zag van onder mijn dekentje hoe hard topsport is. Sport laat zich niet voorspellen. Denken de geschiedenis te kunnen betrappen is zinloos. Topmomenten ontstaan onverwacht. Dafne onthult haar blessure waardoor ze goud miste. Dat ongemak is nu overwonnen, zegt ze, hoopgevend voor de 200 meter, ook 's nachts. Weer zo’n moment. Ik kijk wel achteraf. Genoeg gewaakt.