Mijn buitenwijk is lastig te bereiken, deze zomer. Dat komt omdat de kruising met de busbaan wordt aangepakt. Na veel ongelukken, gewonden en helaas een dodelijk slachtoffer viel het besluit om een tunnel onder de busbaan te graven.

Zo rijden straks fietsers en automobilisten onder de bussen door. Buschauffeurs kunnen zich Max Verstappen blijven wanen met hun QBuzz-bolides. Maar nu is het kruispunt een bouwput. Overigens is er nog nooit zo voorzichtig gereden. Fietsers zijn hun leven veilig dankzij de tijdelijke chicanes en verkeerslichten. Je zou bijna zeggen: laat die tunnel maar zitten. 

Ik kijk graag bij de bouwlocatie. Er valt veel te bewonderen. Krachtige frezen die het asfalt afschrapen en het via omhoogstaande afvoerpijpen in vrachtwagens dumpen. Gretige graafmachines op hoge brede banden die met enorme happen de tunnel graven. Mobiele hei-installaties die roestbruine damwanden de grond inrammen. En tussen die imponerende en ronkende machines door lopen stoere mannen met gele helmen op hun hoofd, gehuld in ruime oranje werkbroeken voorzien van opgestikte zakken en reflecterende strepen en stevige schoenen met stalen neuzen aan hun voeten. Zij lopen doelgericht rond, weten wat er moet gebeuren en keren nooit om want ze vergissen zich nooit in hun route. Ik bewonder hun daadkracht. Was ik maar zo, denk ik, en geef extra gas in mijn Suzuki Alto. 

Voor mij is ‘working on the highway’ onbereikbaar. Geboren met twee linkerhanden is het een illusie om wegwerker te worden. Wat rest in de wereld van asfalt is de functie van verkeersregelaar. Zo’n type met een oranje hesje en een oldskool portofoon. Bij mijn kruising staan ze dagelijks. Ze doen belangrijk werk: ze laten bussen stoppen om fietsers veilig te laten oversteken. En ze regelen het bouwverkeer, dat krijgt altijd voorrang want dat zijn de ware kings of the road. Ik stop altijd voor ze.