Messi stopt er mee. Hij kan de stress niet meer aan, na weer een verloren finale met het Argentijnse team.  

Geen international meer. 

Geen selectie meer. 

Ik ben nooit geselecteerd.

Ik kon gewoon inschuiven bij de Eemsboys. In de backs was een plekje vrij. Bij de groen-witte uit Delfzijl. Zaterdagamateurs met een tribune, reclameborden rondom het veld en een kantine met frituur. De afzuigkap stootte ongefilterde vettehapswalmen uit. De naastgelegen tennisbaan kreeg de volle laag. 

Ik speelde nimmer op het hoofdveld. Mijn duels vocht ik uit in modderpoelen naast de bijveldjes. De noppen onder mijn Adidassen (zwart met drie witte strepen), weerklonken nooit op het betonnen in de catacomben aan het Burgemeester Boeremaplein. Maar goed ook, want van beton sleten je noppen. En op mijn schoenen was ik zuinig. In de jaren zeventig kreeg je niet elk seizoen nieuwe kicksen. Van mijn tiende tot mijn vijftiende had ik één paar. Onze lichting ging in ’86 de schande van ’74 en ’78 (Messi’s voorganger Mairo Kempes, wereldkampioen ’78, droeg Puma) wegpoetsen. Helaas, niet gelukt. Mijn voetbalcarrièrre stokte. Dat ik van D5 oprukte naar B2 kwam door een spelerstekort. 

Ik heb jaren gedacht dat ik niet goed genoeg was. Dat iets anders fout zat, weet ik pas sinds kort. Sportclubs die tegenwoordig hun pupillen indelen, krijgen te maken met woedende ouders. Als hun kroost niet het eerste haalt, eisen ouders opheldering. Arme trainers. Arme kinderen. Sporten onder stress. Bij Eemsboys D5 stonden nooit ouders langs het veld. Niemand bekommerde zich om ons. We verloren met 21-0 van NOVO (Nieuwolda) omdat onze keeper naast zijn doel ging zitten (omdat hij woedend was op zijn tweelingbroertje die als spits kansen verknalde). Geen ouder om er iets van te zeggen. 

Grote wanorde, dikke lol.

Wij voetbalden in ons eigen wereldje. Zonder stress, zoals Messi. Ik ben mijn ouders dankbaar.