Vriendjes met oudere broers, die op Zündapps en Yamaha’s reden, met meisjes achterop, mochten van hun vaders ‘s nachts kijken naar het boksen. De volgende dag imiteerden zij de passen en slagen van Mohammed Ali. Ik keek toe. Ik sliep die nacht, zoals dat hoort als je zes bent. 

   Pas later zag ik hoe gracieus Ali bokste. Dansend bewoog hij over het canvas, huppend en springend, loerend op een kans, klaar om toe te slaan. De fragmenten staan op YouTube. Ali sprak als een Beatnik-dichter, op het ritme van zijn voeten en met de interpunctie van zijn vuisten. Hij voegde spreken en bewegen aaneen tot een gracieus krachtenspel. Hij was adrem en beheerste zijn gezichtsuitdrukking perfect. 

   Ik bekijk hoe hij in Los Angeles (Olympische Spelen, ’96) opnieuw een held wordt. Hij betreedt het podium, zijn linkerhand trilt en hangt in een onzichtbare mitella. Met rechts houdt hij de toorts met het olympisch vuur omhoog. Hij strekt traag, de arm komt tot halverwege zijn hoofd. Vroeger stootte hij na een zege, de armen hoog boven zijn hoofd, hoger dan hoogst. Zijn ogen registreren alles, maar zeggen niets. Ze richten zich op de onzichtbaar verte. Ogenschijnlijk emotieloos. De trilling beheerst zijn lijf. Dan ontsteekt hij met beide handen om de toorts het olympisch vuur. Gespierde atleten vechten tegen hun tranen. Ik herken hoe de vechter gevangen zit in zijn lichaam. Spieren zonder aansturing, gedachten die nimmer tot uitvoer komen. Ik voel de onmacht. De man die danste als een vlinder, werd zelf gestoken door een bij. Een steek die hij niet kon ontlopen, een knock-out. 

   Op de site van het Mohammed Ali Parkinson Center staat: ‘Parkinson has slowed his step, more than his years, has quieted his voice more than his years’. Toch vocht hij ook tegen zijn laatste opponent en gaf daarmee mede-patiënten hoop en kracht.