Zondag ging ik op verjaardagsbezoek bij mijn moeder. Het hoort niet om de leeftijd te verklappen van dames. Laat ik het er op houden dat ze op leeftijd is, maar niet bejaard. Ze is oud genoeg om over vroeger te praten. Haar zus en haar jeugdvriendin waren er ook. Die weten ook alles van vroeger. Toen ik met mijn verjaardagswensen en feestboeket binnenkwam, spraken zij over vervlogen tijden. 

   Hun verhalen gaan over mensen die ik niet ken. Verre oudooms en langgeleden verhuisde buren. De dames praten over hen alsof ze  elkaar gisteren nog bij de buurtsuper hadden gezien. Hun verhalen meanderen. Ze vullen elkaar aan, maar het liefst verbeteren ze elkaar. Ze gaat het van de hak op de tak. Zoals de figuren uit de boeken van Gunter Gras, al praten die plat-Duits, en geen zwak-Limburgs. Ze noemen niemand bij naam. Ieder heeft een bijnaam, bepaald door uiterlijk kenmerk of gebrek. Mijn moeder begon over een man die een verbrijzelde hand had: ‘De lamme Poot’. Vermaard is de moeder van het kind met een geestelijke achterstand: ‘Die met dat ongelukkige kind, van op de hoek’. Vooral de toevoeging ‘van op de hoek’ is belangrijk, je kunt niet duidelijk genoeg zijn.   

   Al snel verdwaalde ik in de kronkelroutes die de dames trokken door hun verleden. Ze bakkeleiden uiteindelijk of hun ouderlijk huis een kelder had en of daar het servies in een mand naar toe was gesleept. ‘Nee,’ wist mijn tante, die na de bevrijding is geboren, ‘het huis van oma en opa aan de Akkerstraat was onderkelderd. Daar schuilden ze tijdens bombardementen. Het servies was toen al met paard en wagen weggebracht.’ 

   Ik keek naar de foto van mijn grootmoeder. Ze zit in haar stoel, kopje koffie op haar schoot. Ze lacht, zoals altijd als er gezelligheid om haar heen was. Ik denk dat ze genoten zou hebben van de verhalen van haar dochters en hun jeugdvriendin.