Nu de beukenhaag is uitgelopen, durf ik in de voortuin te zitten. Niet dat ik mensenschuw, maar ik ben graag alleen, zonder aangestaard te worden. Wanneer ik mij wentel in mijn eigen wereldje is geluk niet ver weg. Ongestoord en ongezien doe ik mijn eigen ding, ik krijg er geen genoeg van. 

Vorige week ging het mis: de glazenwasser kwam. Die komt eens in de twee maanden en nooit alleen. De een wast de ramen voor en de ander klimt over de garage voor de achtergevel. Ik voel me naakt en bekeken in mijn eigen huis. Verstoppen is zinloos, ze duiken overal onverwacht op. Moet ik op de bank gaan zitten en doen alsof ik ze niet zie? Moet ik zwaaien? Glimlachen? Koffie aanbieden? 

Ga weg, meteen. 

Stug wassen ze door. 

En het werd nog erger: eentje belde aan. Wil zeker een emmertje water. Ik sta in de open deur en wijs naar het buitenkraantje. Maar hij wil iets anders. ‘Ik heb een gekke vraag,’ begint hij, ‘mag ik van het toilet gebruik maken?’ Hij glimlacht verlegen en voegt er aan toe: ‘Voor een grote boodschap.’ Ik wil nee schudden, maar open de toiletdeur om hem zijn ding te laten doen. Vertwijfeld sluip ik naar de keuken. Waarom liet ik hem toe? Ik wil alleen zijn, maar ook iets betekenen voor anderen. Terwijl ik gevangen voor dit dilemma sta, trekt hij door. Komt hij mij bedanken voor het gebruik? Met een handdruk? Hopelijk heeft hij zijn remsporen verwijderd en WC-Eend in de pot gespoten. Hij sluit zachtjes de buitendeur en zeemt even later vrolijk het keukenraam alsof hij nooit binnen is geweest. Met welk gebaar kan ik informeren of hij lekker gepoept heeft? Ik sluit mijn ogen en bid dat hij weggaat.