Ik steek mijn hand ook maar op. Naast mij zwaait mijn schoonvader zonder aarzeling naar het vliegtuig met daarin zijn vrouw, dochter en kleindochter. Op Airport Groningen overzie je in een oogopslag het hele vliegveld. Het is een Madurodam-luchthaven met zes incheckbalies. Zonder drukte. De auto kun je bijkans naast de landingsbaan parkeren.

In de vertrekhal heerst de stilte voor een storm die nooit komt. Geen piloot met gouden strepen op zijn mouwen, die naar zijn vliegtuig marcheert met in zijn kielzog frisse nuffige stewardessen. Achter de balie van het autoverhuurbedrijf bestudeert een Groningse schone haar nagels. Het meisje bij de incheckbalie heeft een Drentse tongval. Geen stress of chaos als op Schiphol. Eelde kent geen terreurvrees. 

Nog een uur tot vertrek. Er is geen winkelzone om tijd te doden dus drinken we koffie in het restaurant met uitzicht op de startbaan. Vorige maand was hier een noodlanding. Ik zeg niets. Een wagen van de hulpdienst rijdt langs. Twee marechaussees  checken het restaurant op verdachte types. 

Het is tijd. 

Al is Londen dichtbij, ons afscheid is intens. Als onze reizigsters door de douane zijn, lopen schoonvader en ik naar het terras. Het fragiele toestel met propellers aan de vleugels, staat klaar. Vlak ernaast staat een gele ambulance-helikopter. Onze dames lopen langs rood met witte roadblocks over het beton van de startbaan naar de vliegtuigtrap. Ze zien ons niet, al zwaaien we. De motor brult. Een man in een felgroen hesje trekt de blokken voor de wielen weg. Langzaam taxiet de piloot weg. Wacht tot de startbaan vrij is en geeft dan gas. Het toestel stijgt op en is al snel een wit stipje waarin je geen zwaaiende hand achter een raampje kunt ontwarren. ‘Kun je trouwens zo’n nooddeur openmaken tijdens de vlucht?’ vraag mijn schoonvader ineens. Ik denk het niet, en probeer de gedachte te verdringen. Een uurtje later krijg ik een appje: ‘veilig geland’.