Zondagochtend, vol lentewarmte. Ik zweet in mijn winterjas. Hond P. snuffelt erop los. Hij volgt een geurspoor. Honden ruiken zo veel meer dan mensen. Helemaal met de lente in de lucht. Snuffelend en zwetend bereiken we de brede sloot tussen de woonwijk en de natuurplek voor kinderen. Het Landje Daar heet dat. Op het heuvelachtige veld kunnen kinderen ravotten, hutten bouwen en kletspoten halen. En in contact komen met de natuur. 

Hond P. rukt aan de riem. Ik kijk naar een jochie van een jaar of tien, op het pontje. Dit houten vlot waarmee kinderen door aan een touw te trekken naar het Landje kunnen varen, heeft net een opknapbeurt gehad. Het jongetje, blote voeten in zijn Croqs, springt aan wal. 

'Vaart het pontje weer goed?' 

Hij knikt aarzelend. Vanachter een boom duikt hond P. op. Hij besnuffelt met zijn bruine snuit de Croqs. De jongen deinst achteruit. 

'Er ligt daar een dooie eend.' Hij wijst naar de rietkraag. Daar drijft inderdaad iets dat op een eend lijkt. Ik zoek een invoelende reactie. Geen dooddoener als ‘dat is nou eenmaal de natuur.’ Daarvoor oogt het knulletje te geschrokken. Bijna zeg ik dat het zijn eigen schuld was, van de onthoofde woerd. Had hij maar niet als een gevederde testosteron-bom achter dat chickie moeten aanjagen. 

Met een trillend stemmetje, zegt hij: 'En zijn kop is er ook af.’

Het jochie houdt hond P. op afstand. Angstvallig let hij op de scherpe tanden. Ik wil hem geruststellen. 

'Dat is niet zo fijn, voor die eend,' 

Zonder reactie, sprint hij weg. Op zijn Croqs. Hond P. holt mee zover de riem reikt. 

Dan drukt hij zijn neus op het gras en ruikt Drentse-Patrijs sporen. Kwijlend klatert hij zijn Labradorstraal eroverheen. Op naar huis. Zijn territorium is gemarkeerd. 

Fijn die ontluikende natuur.