Ik opende de papiercontainer. De stemkaart belandde op de oude kranten. Hij had weken op het prikbord gehangen tussen de-niet-te-vergeten-formulieren en de stempelkaarten van de handdoekenactie bij de Albert Heijn. De hele woensdag herinnerde het stembiljet mij aan het referendum. Ik stem altijd, normaal. 

Mensen die niet stemmen mogen niet klagen. En toch doen ze dat. Het stuit me tegen de borst, dat geneeklaag en geneemekker op parlement en regering. Niet dat Den Haag zaligmakend is, maar kom niet aan met ‘ze doen toch wat ze zelf willen’ en ‘ze luisteren toch nooit’. Het nefoprendum gaf de nee-burger een stem, hoenee. Nee als ideaal. 

Ik heb niks met GeenStijl en Jan Roos is een schertsjournalist. Zo werd ik een niet-stemmer of eigenlijk een niet-opdager. Ik stemde in afwezigheid. Als genoeg voorstemmers thuis bleven, zouden de neestemmers verliezen. Dat was mijn antwoord op het refoprendum. Meer dan 32 procent kwam stemmen. Mijn strategie kon de papierbak in. 

De generatie-nee zegevierde. Nederland werd nog meer Neederland. Tegen Europa, vluchtelingen en verdraagzaamheid. In de opmars der Nee-Krijters loopt iedereen die afwijkt gevaar. Een vluchteling krijgt vuurwerk naar zijn kop. Wie positiefs is over Brussel, is een slechte vaderlander. Dat is de mores in de neemocratie.

Ach zeggen sommigen, zover komt het toch niet in ons nuchtere Noorden? Groningen stemde immers voor? Gelukkig. Helaas ook hier dreigt nee-geweld. Hoe verdraagzaam is een stad waar twee vrouwen, gearmd en verliefd een café uitlopen, uitgescholden worden en na een weerwoord klappen krijgen? Want vrouwen die het met vrouwen doen dat willen nee-schudders niet. Dit wordt normaal als nee-zeggers het voor het zeggen krijgen. Dus zeg ik ja, voor tolerantie en verdraagzaamheid. Stop Neederland. Dat dacht ik toen ik met een harde klap de papierbak dichtgooide.