In een zaal vol Karel Appels kijkt een man in het rond. Het is zondagochtend, het Haags Gemeentemuseum is nog maar net open. Hij zoekt. 

Om zijn nek hangt een spiegelreflexcamera. De gele letters op de band steken af tegen zijn grijze driedelige pak. Al een paar keer heeft hij door de zoeker gekeken. Hij weet precies hoe hij de foto wil maken.  

Hij drukt niet af. 

Hij draalt rond. 

Ineens ontdekt hij een andere man, ook op leeftijd, net als hij, met een echte camera. Niet zo'n telefoonkiekjesmaker, nee de man draagt een echte camera. Een met een lens en aan stevige draagband. Verontschuldigend vraagt de man of hij om een gunst mag vragen. Geen probleem glimlacht de andere man en neemt de camera over. Twee toestellen bungelen nu op zijn borst. 'Bedoelt u deze?' De man knikt en gaat voor het kleurrijke schilderij staan. Een echte Appel: dikke lagen verf, met kracht tegen het canvas gesmeten en ruw uitgesmeerd. Rood, oranje, zwart. Onmiskenbaar Appel. 

Appel is dood, al tien jaar. 

De man, jong toen Cobra hip was, leeft; zijn ogen twinkelen nu hij voor zijn favoriete Appel staat. Als een pubermeisje dat een selfie maakt, neemt hij een uitgedachte pose aan voor het schilderij en wacht op de digitale nabootsing van de diafragmaklik. Zijn arm wijst naar de onderkant van het doek. Zijn trillende wijsvinger raakt bijna de signatuur van de Appel aan. Aan wie wil hij met de foto bewijzen dat hij echt een echte Appel heeft gezien? 

Niemand kijkt meer naar de meesterwerken. Iedereen glimlacht naar de twee heren op leeftijd die samen een selfie maken. Als een kind zo blij, zo is iedereen. Dan geeft de man de camera terug en loopt iedereen verder om op zijn eigen manier te genieten van Karel Appel.