Blauwe tandpasta spat alle kanten op. Op de spiegel, de kraan, mijn bril, overal zitten spetters Prodent. Onmachtig kijk ik naar de draaiende kop van de elektrische tandenborstel. Ik probeer uit alle macht het apparaat uit te zetten maar mijn wijsvinger zit als bevroren op de aan- en uitknop. Mijn schone shirt is nu ook al besmeurd. Uit mijn ongereinigde mond klinken smerige verwensingen. 

   Over een half uur moet ik bij de tandarts zijn en ben al de hele ochtend van slag. Ik weet dat ik goed gepoetst heb en dat mijn tandvlees in vorm is. En toch houd ik dat weeë maaggevoel dat opkwam toen ik de herinneringsmail van de tandarts las: ‘Denkt u aan uw afspraak, maandag 9.50 uur?’ Meteen lag ik in gedachten in de behandelstoel en voelde ik de boor in mijn kiezen en de tandartshaak tussen mijn tanden wrikken. 

   Ben ik niet te oud voor angst voor de tandarts? Ik heb ondertussen meer positieve ervaringen gehad dan traumatische? De generatie brute bekkenbrekers is toch al jaren met pensioen en is hopelijk door enge ziektes geplaagd of tergend langzaam, uiterst pijnlijk doodgegaan? Als kind had ik een bullebak van een tandarts. Het was niet voor niets dat hij telkens een nieuwe assistente had. Hij schold ze stijf als ze zich vergiste. Als kind kreeg je ook de volle laag als hij tussen je melkkiesjes een broodrestje vond. ‘Poetsen! Beter poetsen, begrepen? Eerst poetsen voor je weer komt,’ riep hij en trok me uit de stoel. Ik poetste me suf, niet om mijn gebit schoon te houden, maar om niet uitgescholden te worden. Terreur als preventie.  

   Gelukkig weet de moderne  tandarts hoe hij moet omgaan met angstige patiënten. Maar hoe goed hij zijn vaardigheden ook inzet, ik blijf op mijn hoede. 

   Om 9.55 uur, fluistert mijn tandarts dat ik goed gepoetst heb. Pfff.