Zondagavond, eigenlijk tijd om  voetbal te kijken. In de bocht in de Peizerweg, bij spoorwegovergang neem ik gas terug. In het donker is het hier oppassen. Van linksachter duiken fietsers op, vooral studenten zonder licht, terwijl van rechts auto’s opdoemen. Naast me zit mijn zoon. Zijn weekendtas, studieboeken en laptop op de achterbank. 

   Vanmiddag legde mij uit hoe het Centre Pompidou in Parijs in elkaar zat. Met mijn magere natuurkundekennis (MAVO-4:  formule F=M *A) wist ik hem te volgen, dacht ik. Hij legde uit dat zo’n groot gebouw op een of andere manier staande moest worden gehouden. Dat een ‘geberette’ dat doet was nieuw voor mij. Die zorgt ervoor dat de kracht van de overspanning omgeleid wordt naar de buitenkant van de gevel, al twijfel ik nu even. Het deed me denken aan steunberen bij kathedralen en dat klopte wel, volgens hem.

   Toen moest hij de trein halen.  

 We stoppen bij de verkeerslichten, hoek Paterswoldseweg-Emmasingel. Als het groen wordt, zegt hij:  ‘Het voelt nooit als een grote overgang om na een weekend thuis terug te komen op mijn kamer.’ Ik denk dat dat komt omdat hij het naar zijn zin heeft met zijn bouwkundestudie en het studentenleven. 

   Bij het station stapt hij uit. Hij geeft me een zoen en roept over zijn schouder dat hij nog niet weet of hij over twee of drie weken terug komt. En klapt het portier dicht.

  Ik rijd terug naar huis. En denk dat ik het vroeger ronduit kut vond om na een weekend thuis weer in de trein naar de stad te reizen. Om in mijn eentje van het Noorderstation naar de Indische Buurt te lopen in de regen en duisternis, terwijl iedereen voetbal keek. Ik ben niet zo van de avonturen. Mijn zoon wel, heeft-ie van mijn vrouw.