Ik woon in een nieuwbouwwijk: schone straten, propere plantsoenen en stralende straatlantaarns. Zo’n buurt is stad noch dorp. In elke stad dreigen druk verkeer en driftige mensen. Op het dorpsplein scheuren tractoren en broezende brommers rond. De mensen houden elkaar in de smiezen. Ondertussen gebeurt er in een buitenwijk geen zak. Geen botsende auto’s of roddelende bewoners, een grasmaaier op zondagmorgen is al snel overlast.

Rustig, ruim en relaxed.

Daarom woon ik in een buitenwijk. Minzame middelmaat en redelijke regelmaat onder-één-kap. Vrijstaand, veilig en vertrouwd tussen verkeersdrempel en woonerf. 

Maar het rommelt hier. Flarden van gesprekken waren rond.

‘Er is er een vermoord.’

‘Door die zwarte?’ 

‘De daders lopen nog steeds rond.’

‘De politie... tja, de hondenpolitie komt langs. Aangifte?’ 

‘Het is niet de eerste, hoor, er zijn meer slachtoffers.’

‘Nu is het je poes. Straks je konijn.’ 

‘Ik doe geen oog meer dicht. Onze kippen achter het huis. Elke ochtend vrees ik voor een bloedbad. Je weet maar nooit.’ 

‘Ze horen aan de lijn. Het is hier geen losloopstrook.’

‘Ze springen tegen je op. Met die zwarte poten. Ze doen niks, zeggen ze dan, je weet maar nooit.’

‘Het is het ras.’ 

‘Muilkorven, zeg ik.’ 

‘Meteen.’ 

‘Minder. Toch?’ 

‘Er wonen hier kinderen, hoor. En wat als het je jouw dochter...? Ik moet er niet aan denken. Je weet maar nooit.’

‘En als het er nou eentje was, ja dan. Maar er komen steeds meer.’ 

‘En ze verpesten het voor de welwillende honden. Ik weet één ding: mensen gaan voor. Het is onze wijk.’ 

‘En ja. Als niemand wat doet, ja wat dan? Dan lossen we het zelf wel op. Ja, niet dan?’

Nee. Er gebeurt niets in zo'n buitenwijk. 

Voor de zekerheid lijn ik mijn hond aan, zelfs binnen. Je weet maar nooit.