Door de de nacht sluipen asieljagers met zwarte bivakmutsen door Woerden. De sporthal met het golvende dak is hun doelwit. Op de gevel blinkt de naam in witte letters. Snellerpoort. Noodopvang? Niet in onze wijk. Geen gelukszoekers in ons sportcentrum. Ze juichten toen het spandoek boven de A12 hing. Grenzen dicht. Eigen volk eerst. 

Eieren ploffen uiteen op de daken van de auto’s. Met een sigaret ontsteekt iemand een vuurwerkbom. Vlak voor de ingang klinkt een knal. Een flauwe echo van een bombardement.

Gejuich en gegil. 

Nog meer eieren. Rookbommen gaan af.

Een voordeur vliegt open. Een man rent op sokken op de dichtstbijzijnde onruststoker af. ‘Klootzak,’ roept hij, ‘blijf staan. Er gebeurt je niks, als je doet wat ik zeg.’ De man rukt de muts af. Kort haren, een oorring rechts, tatoeage in de hals. Zwarte inkt op een spierwitte huid. Met een arm klemt hij de doodsbange knaap vast. Zijn stem trilt: ‘Laat me los.’ De man belt de politie. Ze zijn al onderweg. Hij zet de armklem nog wat aan als de jongen moed vat om zich los te wringen. Dan verlichten blauwe zwaailichten de straten. Agenten met felgele strepen op hun borst boeien de jongen. Krachtig duwen ze hem in de surveillancewagen. Andere bivakmutsen vluchten. Ver komen ze niet; de politie staat op scherp. Een voor een grijpen ze de geweldplegers. ‘Of je nou gegooid hebt of niet, je gaat mee,’ bijt een agent een arrestant toe. 

Later bezoekt de premier de sporthal. Een mening mag, geweld is uit den boze. Met open boord predikt hij rust en redelijkheid. ‘s Avonds bezorgen omwonenden snoep en ijs. De voorlichter vraagt om niet nog meer te brengen; ze willen rust, geen Magnums of Snickers. Achter hekken met ondoorzichtig plastic, beschermd door particuliere beveiligers zoeken vluchtelingen rust. Geluk is voor later.