‘Juf, het is onze langste letter.’ 

Robbert stak niet eens zijn vinger op. Hij riep het gewoon. We keken naar juf Haaijer. Haar frons was dieper dan ooit. Robbert zat alweer gebogen over zijn letterschrift. Met het puntje van zijn tong uit zijn mond trok hij met zijn potlood langwerpige boogjes boven en onder de gestippelde middellijn. Een paar spuugbelletjes veegde hij met zijn mouw van zijn lippen. Juf legde haar vinger op haar mond en wees opnieuw naar de letter ‘F’ op het bord.

Ze vertelde verder hoe je de letter moest maken. ‘Begin onder de stippellijn en trek je potlood schuin naar boven. Na de middellijn maak je een buikje, denk maar aan een zeil waar de wind in blaast.’ Juf Haaijer bolde haar wangen en blies de lucht uit. ‘Dan komt de mast, dat is deze rechte lijn. En helemaal onderaan maak je nog een boogje dat boller is dan het zeiltje.’

‘Is dat de kiel van het schip?’ 

Juf Haaijer legde haar krijtje op de richel onder het schoolbord. ‘Robbert, wat hadden we ook weer afgesproken?’ 

We gingen allemaal rechtop zitten. Ik deed zelfs mijn armen over elkaar. We wisten: eerst je vinger in de lucht en als juf je naam noemde mocht je pas iets vragen, dat was de regel van juf Haaijer. Robbert vergat dat steeds. Maar daar kon hij niets aan doen. Thuis, in de grote bungalow met een tuinhuisje in de overwoekerde tuin, en twee blaffende honden en twee oudere broers kon hij alleen schreeuwen om aandacht te krijgen van zijn moeder. Als hij te druk was, sloot zij hem voor straf op in het koude tuinhuisje. 

‘Ja, Robbert en het is onze langste letter.’ Juf Haaijer glimlachte. De frons was verdwenen. 

‘Dat dacht ik al,’ knikte Robbert en begon alvast de ‘G’ te oefenen.