Nijdig omklemde ik mijn telefoon. Ik ijsbeerde tussen mijn voordeur en de vrachtwagen op de straat. De laadruimte stond open. Een van de chauffeurs wachtte met het mobiele pinapparaat in zijn handen. Hij was er maar bij gaan zitten. Zijn benen bungelden over de rand van de laadklep. Zijn collega verplaatste de vracht. Mijn bestelling was een van de laatste. Nog een adresje en dan weekend. 

‘Verdorie,’ zei ik met overslaande stem, ‘ik weet toch niet hoe mijn spaarrekening heet. Ik sta hier op mijn oprit, naast een vrachtwagen met daarin mijn nieuwe keuken en wat ik ook probeer mijn pinpas weigert elke dienst.’

‘Ik probeer u alleen te helpen meneer,’ reageerde de helpdeskmedewerker van de ING correct. Maar ik was de correctheid voorbij. Ik was boos. Woedend. Witheet. Maar ik zei ‘verdorie.’ Mijn meelijdenwekkende bescheidenheid stond een furieuze uitbarsting in de weg. In plaats van lava uit te spuien, verstomde ik in onkrachttermen. 

‘Verdorie, ik begrijp dat de ING aan de telefoon controlevragen moet stellen, maar dit is idioot. Vraag me naar mijn saldo, mijn geboortedatum, de middelste cijfers van mijn rekeningnummer, mijn postcode, maar niet hoe mijn spaarrekening heet.’ De dame humde onhoorbaar. Ze haalde adem en las wat op haar scherm verscheen. 

‘Welk nummer heeft u gezamenlijke rekening?’ Sinds de IBAN’s zijn ingevoerd weet ik het niet meer. Te oud om een nieuwe cijfercombinatie te kennen. Als kind leer je alle cijfercombi’s uit je hoofd, voorgoed: het telefoonnummer van mijn ouderlijk huis, 0596015964. 

‘Dan vraag ik u van wie u een salaris ontvangt op uw rekening.’ Ik was met stomheid geslagen. Ik sloeg dicht. Ik mompelde ‘verdorie’ en gebaarde de mannen bij de vrachtwagen dat ik niet zou betalen. ‘Verdorie,’ zei de kleinste en hield zijn bungelende benen stil. Vroeger dan gepland reden ze terug naar Dordrecht. Volgende week een nieuwe kans, ik zorg voor cash.