Vrijdag bezocht ik mijn vader. Hij zat in de gemeenschappelijke ruimte, in een hoek, vlakbij de gang naar zijn kamer. Mijn vader lijkt op mij, mensen moeten niet te dichtbij komen. Op zijn iPhone tikte hij berichten. Sinds hij na een fietsongeluk in het ziekenhuis belandde, heeft hij de zegeningen van de smartphone ontdekt. Op zijn oude dag leerde hij appen. Zijn telefoon is zijn radio en zijn krant.

Een week geleden zag ik hem voor het laatst. Ik bracht hem van de oefenzaal naar zijn kamer. Hij had fysiotherapie gehad. Voorzichtig zette hij wat stapjes los van de rollator, waarop een sticker met zijn naam was geplakt. Hij zuchtte. Met moeite hield hij het vol. 

Op zijn kamer wankelde hij naar het bed om te gaan liggen. Ik stond klaar om hem op te vangen. Mijn open armen hingen tevergeefs in de lucht. Comfortabel nestelde hij zich in de kussens en luisterde naar wat ik te vertellen had. Af en toe vielen zijn ogen dicht en zweeg ik. Meteen opende hij ze dan weer. En praatte ik verder. Niet dat ik bang was voor de stilte, maar praten voelde beter. Zoveel heb ik nou ook weer niet met mijn vader gesproken, de afgelopen 48 jaar. 

Hij merkte me vrijdag pas op toen ik zijn wang kuste. Zo gefocust was hij op zijn telefoon; even leek hij op zijn kleindochter van 17. Ik schoof een stoel bij en glimlachte toen hij vertelde dat hij op een hometrainer had gereden. Hij had niet meer willen stoppen, zo fijn vond hij het. Hij fietste dan wel nergens heen, maar dat hij de trappers nog kon ronddraaien deed hem gloeien. 

Mijn vader heeft namelijk een doel: voor zijn 77ste een fietstocht te maken. Niet op de Mont Ventoux of op Alpe d’Huez, maar langs het Apeldoorns Kanaal. En dat gaat hem lukken.