'Er zit iemand op onze plek'. Acht jonge vrouwen, entreebiljetten in de hand, schuifelden door het gangpad naar de eerste rij. Op een van hun pluchen zitplaatsen zat een man in een wit overhemd. Goh, had ik nog gedacht toen ik mijn plaats op rij twee innam, een donkere man in een bijna blank Stadsschouwburgpubliek. 

'Dat lossen we wel even op,' sprak een der dames resoluut. Onomwonden wees ze de man op zijn plaats. ‘Daarboven op het balkon is ook een rij één.’ Vriendelijk, hoofs buigend, verontschuldigingen prevelend schoof hij langs de acht zelfbewuste vrouwen. Awkward, zoals zij hun ruimte opeisten. Natuurlijk delen we. Uiteraard schikken we in. Vanzelf gunnen we de ander ruimte. Maar niet ongevraagd. Niet als we gereserveerd hebben.  

Na afloop naar het theatercafé voor een biertje en om de acteurs te zien. 'Goed hoor, zo'n stuk over vluchtelingen. Zet aan tot nadenken, brengt alles dichterbij. Nog een drankje?' Maar ik zag geen acteurs. Wel zwarte mannen in overhemden. Dezelfde mannen die in de zaal 'verkeerd' hadden gezeten. Het NNT speelt na het slotapplaus gewoon verder. Een jonge Eritrieeër gaf een hand en bood ons een plaatsje aan rond zijn tafel. Ongemak of een mogelijkheid? Nors zwijgend of hakkelend contact maken? 

‘Is het niet gênant om deze rol te spelen?’ 

‘Nee, dit werk is prachtig. Beter dan het AZC.’ 

Later in de foyer beaamde regisseuse Ola Maafalani dit. Ze had net de jongens op de bus naar AZC Onnen gezet. Natuurlijk is er ongemak. Echter, de jongens hadden genoten. Ze hadden ‘gewoon’ gepraat met mensen van buiten het AZC. 

Maafalani's stuk werkt door, ook nadat het laatste glas in het theatercafé is afgewassen en gepoleerd. De beelden, woorden en het ongemak blijven rondspoken. Hoe heet je een vluchteling welkom? Gewoon door naast hem te zitten en te praten. Hoe ongemakkelijk het aanvankelijk ook voelt.