Westerkrant, 26-11-2014

In de winter bedekten wollen mutsjes hun grijze hoofden. Zelfgebreid, voor elkaar, met hetzelfde patroon en in gelijke tinten. Ze doorkruisten de stad. Op elke straathoek kwam je ze tegen. Gearmd en gezwind. Hennie en Wienie, de wandelende tweeling. Identiek en vol kleur gekleed. Als ze vertrokken voor een wandeling zwaaiden ze naar de grote aangeklede pop in hun vensterbank. Het leek soms of die terug wuifde.

 Ze knikten en groetten voorbijgangers en liepen door. Veel Stadjers kenden de twee. Eens viel er een kaart op hun mat, met poezen daar hielden ze van. ‘Aan de tweeling, Groningen’, stond erop, dat was genoeg. Zo hoort dat bij bekende mensen. Deze week kwam het bericht dat Hennie is overleden. Hou oud een dame is, vraag je niet. De zussen ginnegapten dat ze 16 of 38 waren. Kwestie van omdraaien. Zo gezien werd Hennie 18, of 28. 

Ze liepen kilometers, naast elkaar. Waarheen? Waarvoor? Brachten ze het kerkblad rond? Bezochten ze zieke gemeenteleden? Waar dan ook heen, altijd samen. In 2005 bezocht de burgemeester de twee. Wallage belde aan om te feliciteren. Toevallig waren ze thuis. 55 jaar gingen ze rond met de collectebus van ‘De Verre Naasten’, de gereformeerde ontwikkelingshulp. Op hun zeventiende haalden ze de eerste kwartjes en dubbeltjes op. Het busje droegen ze al die jaren mee. Arme en zieke mensen helpen. Dat vonden ze mooi. En dat deden ze. Samen, een leven lang.

Wienie blijft achter. Binnenkort komt ze voorbij. Niet zo snel als eerder. In het voorbijgaan zegt ze iets, niet tegen een onbekende, maar tegen haar zus. Ze zal glimlachen. Haar hand zoekt de hare, ze voelt haar als altijd. Een zacht kneepje. En dan stapt ze door. 

Daar gaat ze, een tweeling in haar eentje.