Op een koude, grijze maandagochtend reden we over smalle wegen met sompige bermen. Ik gidste mijn zoon over het Hogeland. Hij had op Marktplaats een schoolwandkaart gekocht, in Uithuizen. Europa, 1957, toen Wolters het nog zonder Noordhoff deed en niemand iets wist van aardgas. 

De twee meter brede kaart was voor zijn nieuwe kamer. Vanaf zijn Deense studieplek had hij geregeld dat hij bij terugkomst zou doorschuiven in zijn studentenhuis. Zijn moeder haalde hem op uit Denemarken. Achter de auto vol verhuisdozen en kledingtassen, hing zijn fiets. In Groningen stond zijn verdere huisraad: boeken, cd’s, geluidsapparatuur, groene planten en een Perzisch tapijtje. Genoeg voor een volle auto en aanhanger. 

Midden in het aardbevingsgebied, nabij Bedum, bekeken wij een boerderij uit 1854. Vanaf de ooit groene schuurdeur, liep een diepe scheur, als een litteken in een gezicht. Dichtgetimmerde ramen. Een dak vol gaten. De nok doorgezakt. In de overwoekerde tuin fotografeerden we bakstenen tussen net ontloken krokusjes. Over de spoorwegovergang - onbewaakt omdat het leven hier verdwenen is - wees ik mijn zoon op bomen en struiken die ooit een boerderij uit de wind hielden. De bevingen maakten de plek onbewoonbaar. De NAM kocht de boerderij op en veegde het van de kaart. 

Een lege plaats in een verlaten landschap.

In ‘t Zandt herstelden stratenmakers met klinkertjes de rijweg. De nieuwbakken stenen staken scherp af tegen de kloostermoppen van de romaanse kerk. Honderd meter verderop bekeken we bij een verlaten, gele graafmachine een huis. Een karakteristieke woning op stand, uit 1903, voor een dokter of een rentenier. Boven de deur prijkte een sierlijk balkon. Ogenschijnlijk in goede staat. Toch waren hier vanochtend slopers opgedoken; buurtbewoners voorkwamen de sloop en riepen op tot herbezinning. Hoeveel kaalslag kan een dorp aan? We werden er stil en opstandig van. 

In Uithuizen overviel ons de leegstand. Bevingen en bevolkingskrimp trekken een ongure wissel op de toekomst.

Niemand in 1957 had dit kunnen bevroeden.