De stad werd vrijdagavond verlicht door brandende fakkels. Halverwege het Hoge der A - met afstand de schoonste Groninger straatnaam, al komen de Oude Kijk in ‘t Jatstraat en de Grote Kromme Elleboog heel dichtbij - keek ik achterom. Ik veegde tranen uit mijn ogen en glimlachte naar mijn dochter. Ze kneep in mijn hand. Vanaf de hoek bij de A-brug bleef de stroom demonstranten aanzwellen. Velen liepen met een fakkel in de hand. Anderen droegen actieborden of spandoeken. En boven de menigte wapperde de Groninger vlag.

De kasseien van de A-kade glommen van de natte sneeuw die vanaf de start van de mars de actievoerders in het gezicht had geslagen. De kou en nattigheid deerden ons niet. Niets kon ons nog stoppen. Woede gebeiteld in vastberadenheid.

Voor het vertrek vanaf de Vismarkt hadden sprekers nog getracht de massa te laten scanderen: ‘Wij zijn het zat’ en ‘Gas terug’. Edoch, de koppige Groningers zetten hun sterkste wapen in: minachtend zwijgen. Zo liepen twaalfduizend Stadjers en Ommelanders, een stille rondgang over de Diepenring, in het flakkerende licht van de flambouwen. 

Aan de Noorderhaven-Noordzijde blokkeerden boeren met hun trekkers de weg. Oranje zwaailichten, felle schijnwerpers en luide sirenes doorbraken voor een wijl de serene stilte. 

Wij gingen voort. 

Mijn dochter wees op zolderramen en balkons vanwaar mensen toekeken. Hier en daar hoorden we aanmoedigingen of ritmisch handgeklap. Bij het kruispunt Ebbingestraat regelden ordebewakers het verkeer. Een ongeduldige fietser weigerde te stoppen en zigzagde tussen ons door. Niemand liet zich tot grimmigheid verleiden. 

Een eenzame trompettist op het Schuitendiep blies het Grönnens Laid. Ik zong met mijn dochter: ‘Pronkjewail in goolden rand’. Aan de overkant van de Poelebrug rende een jongen alleen, woest wapperend met zijn Groninger vlag. 

Kop d’r veur.

      Over Kattendiep, Zuiderdiep naar Herestraat. Het werd droog, maar ik voelde een verkoudheid al opkomen. Via ‘t Koude Gat bereikten we de Vismarkt. . 

Genoeg is genoeg.