Op gang komen in het nieuwe jaar gaat traag. In mijn tijd als docent ging het vanzelf. Er ging een bel en dan moest je wel; de klas wachtte. Het lawaai van zevenentwintig leerlingen uit havo 2 maakt uitstellen onmogelijk. 

Vanochtend, de eerste werkdag van het jaar, wachtte er geen groep pubers op mij. Gelukkig kon ik ontbijt maken voor mijn lief, voor ze de C3 van de oprit afreed en in het duister verdween. Dat bracht mij vanochtend voldoende op gang. Genoeg vaart om dit stukje te schrijven. Verder wachtte er geen taak op mij. Mijn kinderen hoefde ik niet uit bed te trommelen. Als het goed is brachten zij zich zelf vanochtend op gang, elders. 

Ik denk dat dat best lastig is geweest voor ze. De afgelopen kerstvakantie wentelden ze zich weldadig in de verzorgstand van Hotel Mamma. Een ware win-win-situatie. Ouders blij, kinderen tevree. Helemaal apathisch waren ze overigens niet. Ik roem de heerlijke lunches en avontuurlijke gerechten die zij bereidden en toon dankbaarheid over de vele hond-P-uitlaatrondjes die zij overnamen. Bovenal koester ik de gezelligheid van ons samenzijn. Alleen jammer dat ik niet won met ons bordspel.

Mijn kinderen leven in een maatschappelijke status aparte, de schuilplaats tussen kindertijd en volwassenheid, die wij studententijd noemen en zich in collegezalen, kroegen en studentenkotten afspeelt. Zelfverzekerd en doelbewust regelen zij hun eigen zaakjes. Tot het kerstreces aanbreekt en ze per trein of vliegtuig huiswaarts keren. Onbespied en ongegeneerd laten zij hun scherm van zelfstandigheid zakken om bij te tanken op de bank of in hun voormalige kinderkamer. Hapjes en drankjes in overvloed, het krappe studentenbudget bestaat even niet en die tentamens en essays komen later wel. Twee weken onderduiken op het ouderlijke adres. Tot vanochtend was er geen noodzaak om op gang te komen.