In mijn voormalige hometown Delfzijl slopen ze voortdurend. Eerder verdwenen al mijn middelbare school en kleuterschool, nu gaat de Vennenflat eraan. Sinds 1969 symboliseerde dit gebouw de koortsachtige toekomstdromen van Delfzijl, dat een bloeiende industriestad moest worden met havens en moderne woningen voor 100.000 inwoners. En flats, voor een stoere skyline. Zo ontstond de Vennenflat, tien etages met uitzicht over de Eems.

In een krantenreportage vertelde een mevrouw hoe fijn ze er had gewoond. Met haar verrekijker ontsnapte er geen schip aan haar aandacht. Volgens haar was de flat ook voor kinderen super. Ze klommen omhoog, hingen over de reling en deden wie zo snel mogelijk fluimen naar beneden kon spugen. 

Dat vinden tienjarige jochies leuk. Ik ook.

Met mijn vriendjes hield ik rochelduels vanaf de Zusterflat. Dat die flat, bewoond door verpleegsters van ziekenhuis Delfzicht, door onze moeders tot verboden terrein verklaard was, maakte het extra spannend. Om supersnel omlaag te kwatten, hing ik een keer te diep over de balustrade. Ik voelde mijn nieuwe brilletje van mijn neus glijden. De bril sloeg stuk op de stoep, tussen de slijmklodders, het rechterglas in diggelen. Ik bekeek de scherven en wist: dit is fout. Bevreesd ging ik naar huis. Mijn moeder zou laaiend zijn. Had ik nou maar geluisterd toen ze riep: ‘Als je gaat buitenspelen, moet je je oude broek aan! En je oude bril!’ 

Ze kende mijn onbesuisdheid.

Tijd voor een list. Ik deed de bril op en liep doodgemoederd de keuken in. Mijn moeder schilde aardappelen. ‘Hoi mam.’ Ik liep door naar de gang, de trap op. Toen vroeg ze waarom ik een brillenglas miste. Ik haalde mijn schouders op. Géén idee. Al snel bekende ik. Ouderwets kreeg ik op mijn falie, niet om de kapotte bril. Maar om de oneerlijkheid. 

Sindsdien houd ik mijn bril stevig vast als ik op hoogte sta. En fluimen, slik ik door.