Ik wist dat ik geschikt zou zijn voor de DBS. Mijn vijftig levensjaren en mijn tien jaar parkinson, gecombineerd met een enorme ervaring in medicijnengebruik en bijwerkingen, was ik de meest geschikte kandidaat in het bestand van mijn neuroloog. De testen die ik moest ondergaan vond ik eigenlijk overbodig en zonde van de tijd. 

Na de doorverwijzing van mijn neuroloog was het wachten op de eerste afspraak. Niets gaat zomaar in een ziekenhuis. Regulier bezocht ik een neuroloog in een niet-academisch ziekenhuis. Voor de DBS-operatie moest ik naar het andere, academisch ziekenhuis in mijn stad. Na twee maanden was ik aan de beurt. De DBS-neuroloog liet de onderzoeken over aan een van zijn assistenten. Ik legde haar mijn teloorgang uit, ze onderzocht mijn slome en lamme ledematen en kwam tot de conclusie dat ik inderdaad toe was aan een nieuwe stap in de behandeling. Ik bevestigde nogmaals dat ik een DBS wenste. Aan het eind van het consult, schoof de neuroloog nog even aan, las de conclusie van de assistent, en knikte. Ik weet niet mee zeker of hij inderdaad zei: ‘Dan gaan we dat regelen.’ En hij zei iets van drie maanden tot een half jaar.

Het had me moeten verbazen dat ik in de weken die volgden niets hoorde vanuit dat enorme academisch medisch centrum. Terwijl mijn situatie steeds moeilijker en vermoeiender werd, wachtte ik op de uitnodiging. Ik werd na een maand nijdig en ongeduldig. Nu wilde ik voortmaken, hoe eerder ik kon beginnen met de operatie des te beter. Ik had veel te winnen, een leven. Het wachten begon irritant te worden. Toch twijfelde of ik zou bellen. Enerzijds wilde ik niet de zeurende en veeleisende patiënt zijn. Anderzijds vond ik het ook heel gewoon dat ik opkwam voor mijn eigen belang. Dus belde ik. 

‘Ok, tja, er staat een aantekening bij uw naam in ons systeem, goed dat u belt, maar nee, natuurlijk we plannen het meteen in.’ De dame aan de receptie kon mij meteen vertellen dat ik over een maand aan de beurt was.