IMG 4117Ik viel niet echt in slaap, in de wachtkamer, na de ontmoeting met de technisch coördinator. Ik sluimerde maar wat. Te moe om een gesprek met mijn lief te voeren of een tijdschrift van de tafel te pakken. Ik probeerde mij af te sluiten van de prikkels om mij heen. Maar stiekem genoot ik van het observeren.

Een medisch centrum is een knooppunt van allerlei zorgroutes. De wegen naar een medisch specialist komen letterlijk samen bij de balie. Iedereen moet zich hier melden. Om die rij heen zitten de wachtenden. Oud en jong. Samen of alleen. Vanmiddag zijn er zelfs twee baby’s. Ze huilen, natuurlijk want hun ongemak is groot voor hun kleine lijfje. Ik hoop dat ze met voorrang geholpen worden.

Aan mijn wachttafel zit een stel waarvan ik niet kan uitmaken wie geholpen moet worden. De vrouw is zo mager dat je voor haar leven vreest. Ze opent haar tas om een lunchpakketje te pakken. Met smaak eet ze een boterham. Hij haalt uit zijn jaszak de afspraakbrief, om nog eens te checken of hij echt op de goede plek zit. Als er een achternaam wordt omgeroepen vouwt hij zijn brief op en loopt traaf, moeizaam trekkend met zijn rechterbeen richting de arts die hem naast de balie opwacht. Zijn vrouw stopt het half opgegeten broodje in de tas, en haast zich achter haar man aan.

Ik besef dat ik over enkele weken in dit ziekenhuis zal verblijven. Nimmer was ik zo ziek dat ik in een hospitaal moest blijven. Ik zie meer op tegen de opname op dan de tegen de operatie. Ik ben gehecht aan privacy. Noodgedwongen werk ik niet meer, wat ik natuurlijk betreur, maar ik kan me prima vermaken in mijn eentje. Als kind speelde ik, niet altijd want zo’n treurige jeugd had ik niet, regelmatig alleen. Ik verzon mijn eigen wereldje, mijn eigen spelletjes en had dan even niemand nodig. Of ik las, net als tegenwoordig, en dat gaat toch het beste als je alleen bent. Zelfs als ik onder mensen ben, neem ik liever de positie in van outsider, liever observeren dan in het centrum verkeren, tenzij ik kan vertellen, over die observaties.

Maar wat ik niet goed kan is socialiseren, het voeren van die kleine gesprekjes met onbekenden, smal talk, daarvoor ben ik niet op de wereld gekomen. Ik merk het als ik bij de fysiotherapie in een groepje wordt ingedeeld en dan samen in beweging moet komen. Ik groet, werk in stilte mijn trainingen af, en reageer hooguit met een glimlach op grappen en opmerkingen van de andere deelnemers. In de kleedkamer, waar ik zo snel als ik kan en dat is traag, mij omkleed en probeer weg te komen, tref ik vaak praatgrage mensen die contact zoeken. Het geforceerde gepraat is niets voor mij. Ik murmel niets zeggende opmerkingen en merk dat ik zelfs Gronings begin te knauwen. Nee, ik ben ongeschikt voor de rol van een sociale patiënt. Dus ik hoop dat ik alleen op een kamer mag, met de deur op slot, of in ieder geval niet geopend, en een gordijn dat dicht genoeg is om niet van buitenaf gezien te worden. Ik vrees voor een drukke kamer, met een buurman die over mij, terwijl ik er bij ben, met mijn bezoek gaat praten, zo van ‘Nou hij had weer heel wat praatjes vannacht, hij begon me daar een partij te vloeken en te schelden, niet normaal, ik kon er niet van slapen, ik heb de verpleegster er maar bij gehaald, tjonge jonge, ik zei nog tegen de dokter, kunt u hem  daar geen spuitje tegen geven?’ Je zult zien dat ik zo’n persoon tref.

Ik fantaseer nog wat door op dit horror-scenario tot ik mijn naam hoor. Mijn lief neemt haar bril van haar neus en stopt die in haar tas, en helpt mij overeind. Ik strek mijn stijve lijf en stap dan af op de anesthesist die met mij de medicatie gaat doornemen. Binnen tien minuten staan we weer in de wachtruimte. Alles zag er goed uit.

Ik kan het niet laten om op te merken dat we dit ook per mail hadden kunnen afhandelen. Het komt mij te staan op een vermanende blik. Ze heeft gelijk, houd je in, voeg je naar het systeem, geef je maar over, beweeg mee, dan dans je het makkelijkste. Ik knik, zo is het. Meedeinen is beter dan dreinen.

We dalen af naar de parkeergarage onder het medisch centrum en rijden de stad in, de stad waar het leven bruist, ten minste als er geen opstoppingen op de ring zijn. Binnen vijf minuten staan we vast in een lange rij, wachtend op een plaatsje op het asfalt.