IMG 4117Het is een vreemde gedachte dat ik - net als twee weken geleden -me een voorstelling probeer te maken van de ziekenhuisopname, volgende week. Ik verwacht morgen bevestiging te krijgen, al houd ik een slag om de arm.

Hoe zou dat voelen als het echt volgende week opnamedag is? Ik zie me op zondagavond bezig mijn spullen bij elkaar te zoeken. Overal  in  huis liggen stapeltjes. Wat kleding, voor overdag, pyjama, voor ‘s nachts. Wat te lezen, te luisteren en te schrijven. Moet ik medicijnen mee of krijg ik die daar? Hoe all-inclusive is zo’n ziekenhuis eigenlijk? Misschien toch die DVD met operatie-info bekijken. Daar staat vast op of ik handdoeken moet meenemen. Of wat ik moet dragen bij de operatie. (‘Trek oude kleding aan, die vies mag worden, lichaamssapspetters kunnen op uw kleding terecht komen.’)

En mijn haar, wat moet daar mee?. Om in de schedel te kunnen boren, wordt er wat haar weggeschoren. Het lijkt me slim om van te voren bij de kapper langs te gaan voor een korte coupe. Niet kaal, daarvoor is het te koud en ben ik te ijdel. Een beetje gedekt graag, dan zie je hechtingen niet zo goed. Als ik volgende week aan de beurt ben (voor de operatie bedoel ik) ga ik deze week naar de kapper.

‘Hoe wilt u het hebben, net als anders?’ Ze kennen me daar. zie ook Wat een boudel ja

‘Nou, graag behoorlijk uitdunnen, maar wel gedekt graag.’ Hoe vager de haarwens hoe beter het resultaat. Ik doe mijn bril af, zak onderuit in de stoel en staar naar mijn vage spiegelgestalte.

‘Nog plannen voor de kerst?’ Ik antwoord weifelend. ‘Niet bijster veel, ik moet even naar het ziekenhuis, vlak ervoor, dus ik denk niet zo spectaculair.’ Ik ben niet zo close met de kapper. Er zijn mensen die hun ziel en zaligheid in de kapsalon eruit gooien. Ik ben meer van de one-liners. ‘Rustig aan, niet te veel gedoe, geen poeha met kalkoen enzo, gewoon weinig aan doen.’ Mijn kerstbesteding lijkt op mijn knipwensen. De kapper knipt mijn haar, zoals hij het altijd doet, zoals hij het zelf in orde vindt zitten, ik zeg toch altijd ‘prima geknipt’, zolang er maar haarplukken op de grond liggen. Als ik constateer dat hij het codewoord ‘ziekenhuis’ negeert, zwijg ik en luister ik naar zijn uiteenzettingen over Donar (‘Vind ik gewoon mooi, om daar te kijken, in de businesslounge, gehakballetje erbij, mooi man.’ ) en de FC (‘Ze moeten weer zo’n Fandi krijgen als in de jaren tachtig, met Renze de Vries, weet-je-wel’, waarbij hij mij samenzweerderig in mijn zij prikt en knipoogt). Dan begint hij opnieuw over zijn weergaloze plan om het Skûtjsesilen in Groningen te introduceren. Hij wil elke stad in Groningen - ik heb hem al gezegd dat er maar één stad in deze provincie is, maar daar walst hij overheen - met een skûtsje tegen elkaar laten varen op de Groninger meren. ‘En die hebben we hoor, Schildmeer, dat water bij Blauwe Stad en de Hoornse Plas en het Leekstermeer, Hondhalstermeer, stukje op de Dollard, Zuidlaren, er is water zat hier.’ Veendam met een bootlengte winnaar voor Uithuizermeeden, dat nipt eindigt voor de gecombineerde boot van Oude en Nieuwe Pekela. ‘Prijsuitreiking op Hoge der Aa, prachtig toch?’

Ik zal knikken en glimlachen. Als ik de zaak uitloop zal ik mijn kruin betasten. Overal korte kriebelende kuifhaartjes bijeengehouden door een likje gel. Zonder kale gaten.