Om met een spoiler te beginnen: ik heb het overleefd. Mijn natuurlijke neiging tot overdrijving en mijn talent voor dramaqueen moet ik onderdrukken. Maar dat is saai. Je moet toch iets maken van het leven. 

Dus opnieuw.

Ik weet niet waar ik ben. Ik probeer mijn longen vol lucht te krijgen maar ik krijg steeds minder binnen. Wat er precies gebeurt om me heen snap ik niet. Mijn bril is kwijt. De verpleegkundige die mij hielp is alweer weg. ‘Ik wil die kousen uit, ze zijn te warm.’ Ze zou navragen of dat kon. Er rust een zwaar blok op me. Het is vast mijn gemoed, of mijn geweten. Ik ontwaar ineens in opertieblauw gehulde patiënten die op bedden liggen, bedden met wieltjes en met metalen masten. In mijn oksel brandt een spier. Alsof ik aan een richel heb gehangen en me zelf naar boven heb getrokken, zoals Buster Keaton die aan de gevel van een wolkenkrabber bungelt en redding hoopt te krijgen door zich vast te klampen aan de grote wijzer van de gevelklok. Ik roep weer en krijg een spuitje, ‘sister morphine’. denk ik dramatisch. 

Ineens komt er rust in mijn ademhaling. De mensen op de bedden om mij heen zijn toch geen slachtoffers van een terroristische aanslag, niet de gevreesde vliegtuigen die zijn ingevlogen op het Gasuniegebouw, maar ze zijn net als ik aan het bijkomen uit hun narcose. ‘Weet u welke dag het is?’ Ik antwoord dat het dinsdag 18 december 2018 is. ‘Waar bent u?’ Ook deze vraag beantwoord ik goed. Ik wil mijn geboortedatum al noemen, maar die identificatie is niet nodig. Nu niet.

Eerder deze dag moest ik het wel zeggen. Om mij heen staan in een cirkel mensen in groene pakken met paarse haarmutsjes op. De man met de brede borstkas en de sonore stem vraagt ieders aandacht en benoemt de missie van de dag: ‘We gaan een DBS plaatsen, is iedereen klaar met zijn voorbereidingen?’ Ik moet zeggen wie ik ben, wat mijn geboortedatum is. Als hij de kring rond is gegaan begint het. Er kruipt een man op mijn bed. Hij gaat op mij zitten en begint aan mijn hoofd te friemelen.