De man op mijn schoot ken ik. Hij is de technische coördinator die mij heeft vooraf heeft verteld wat mij te wachten stond. Hij herinnerde mij in september eraan dat ik een stalen frame zou krijgen waardoor ik niet kon bewegen tijdens de operatie en die er voor zou zorgen dat de elektroden op de juiste plek in mijn hersenen terecht zullen komen. Ik was het bijna vergeten door het lange wachten, de tijd die meer kwaad zou blijken hebben gedaan dan ik kon vermoeden

 

Nu bevestigt hij de het frame, die ze de kroon noemen. De metalen kroon wordt met schroeven gesteld. De punten prikken boven mijn wenkbrauwen in mijn hoofdhuid en ook achterin mijn hoofd voel ik de druk toenemen. Iemand komt de ruimte binnen en zegt dat hij mijn bril heeft opgehaald van de verpleegafdeling waar ik vannacht heb geslapen. ‘Laat je bril maar hier, dan stoppen wij hem veilig weg in je kluisje. We hebben hier zoveel OK’s je vindt hem nooit meer terug als je hem daar kwijt raakt.’ Ik doe hem af, maar baal er meteen van dat ik nu maar een fractie zie van wat ik wil zien als ik even later door de gangen word gereden op mijn bed met wieltjes, als een Aladin op zijn magische tapijt. Ik voel de snelheid waarmee we door de gangen gaan  aan de koude tocht die langs mijn wangen strijkt. Een vreemde gewaarwording, ik zie de deuren en wanden op mij afkomen alsof ik een virtual reality-bril draag, snel o zo snel, zweef ik door de gangen van het ziekenhuis. Juist als ik denk dat we tegen een deur of een wand botsen, maakt mijn bed een drsaai. Ik vertrouw erop dat het goed gaat. Ik word in een lift gereden en even later kom ik in een onverwarmde gang, waar vanuit het donker een man nabij treedt met een rode das om en soort aktetas, ‘Ha, goedemorgen, we gaan er iets moois van maken!’ Ik herken de chirurg die gisteren kwam kennis maken aan het verpleegbed, waar ik me toen net zelf geïnstalleerd had. Daar heb ik vannacht geslapen. Of eigenlijk niet.