Ik lig met mijn voeten tegen het voeteneinde, ik strek mijn lijf, beweeg mijn heupen om wat te ontspannen. Toch `zet ik me schrap. Boven mijn hoofd hoor ik hoe ritselende zakken worden opengescheurd. Ik besef me pas later dat dit het gesteriliseerde operatie-instrumentaria is dat op een tafel systematisch wordt gerangschikt. Vanaf nu heb ik nauwelijks meer iets aan mijn ogen. Mijn oren moeten het doen, misschien mijn neus. Proeven zal weinig opleveren, tasten is er niet meer bij. Het geluid, als in een hoorspel, moet het verhaal vertellen. Flarden van gesprekken en klanken gidsen me door de ochtend.

Ik hoor de chirurg fluisteren tegen de assistente die linksachter me zit dat hij nu gaat starten. De verdoofde hoofdhuid wordt opengesneden, rechtsvoor me zit de neurologe die mij op de hoogte houdt van de vorderingen. Het snijden en openleggen van de rechter-‘schacht’ is snel achter de rug. Met mijn beperkte reukvermogen ruik ik verschroeid vlees van dichtgeschroeide bloedvaatjes. Voor het eerst ben ik blij met mijn verloren reuk. Het moet een geur zijn die je nooit kan verjagen.

Nu komt het moment dat het meest tot de verbeelding spreekt en het meest angstaanjagende is: het boren. Of het klopt weet ik niet, maar in mijn herinnering vroeg de chirurg om de M-15 boor. Hij checkt de coordinaten die hij heeft vastgesteld samen met de hoofd-neuroloog die zich nu pas heeft gemeld in de OK. Ik krijg het advies om mijn mond open te houden zodat ik het geluid dat door het kortstondige boren zal ontstaan, niet gaat rondzingen in mijn hoofd. Ik open mijn mond en dan begint het. De neurologe houdt mijn hand vast. Ik knijp. Als het begint. Ik kan alleen denken: dit moet ik goed onthouden om het te kunnen beschrijven. Het gierende geluid lijkt nog het meest op een betonmolen met mijn hoofd erin, op hoge snelheid draaiend, gevuld met enorme kiezelstenen. Als de schedel is doorboord en dat is supersnel en tegelijkertijd tergend traag stopt de boor automatisch. Niet dat ik er iets van zou merken als ie zou door schieten: in de hersenen voel je geen pijn.

‘Even bijwerken,’ zegt de chirurg. Hij haalt de scherpe randjes weg, met een sort flex, lijkt me, zodat die straks geen schade aan de elektrodedraad kunnen aanbrengen. Dan brengt hij de elektrode in. Ik voel niks, hoor niks, maar ik stel me voor dat de chirurg de draad in het gaatje leidt en handje voor handje de draad in mijn brein naar binnen propt, zoals een elektricien kabels trekt voor een geaard stopcontact. Razendsnel heeft hij de eerste elektrode erin zitten en kan begonnen worden met het controleren van de electronica. En dat levert ware magie op.