Ik moet lachen. Onbedaard lachen. Niet te stuiten. Een lach uit het niets, een lach om niets. Ik probeer op te houden, maar de lach blijft. Het is niet dat ik moet lachen om de woordjes die ik na moet zeggen. Al lig ik gefixeerd op de operatietafel, ik lig te kronkelen van de pret. 

‘Zeg mij maar na.’ De neuroloog was halverwege het uittesten van de tweede elektrode toen het begon. De technisch coördinator bediende de stroomtoevoer. Per volt werd gekeken hoe ik reageerde op de stroomsterkte. Ik zei redelijk vloeiend woorden als ‘Artillerie’, ‘s Gravenhage’, ‘Rododendron’ en ‘Groningen’. Hij liet me hardop tellen van twintig tot dertig. ‘Dat klinkt goed,’ stelde hij vast. Ik vond dat ik in het midden van de woorden lettergrepen inslikte en wat nasaal sprak. Het leek alsof ik een slechte Prins Bernhard-imitatie deed. Ik kreeg een waterijsje te bestrijding van de droogte aan mijn lippen en in mond. De chirurg wachtte tot ik uitgesabbeld was. ‘Zeg eens ‘rododendron’ ,’ vroeg hij en daar begon het lachen. Onbeheerst lachen. Dwanglachen. 

Ik geneerde me omdat ik niet kon stoppen met lachen. Iemand had de controle overgenomen. Ik was een emotionele trekpop geworden. Ik was bang dat dit blijvend zou zijn, dat het nu mis zou zijn, dat ik in het statistische verdomhoekje terecht zou komen. Bij het volgende voltstreepje begon mijn linkerarm en mijn linkerbovenbeen te tintelen. De handbeweging die ik moest doen (tappen: met de vingers, een voor een de duim aanraken) verliepen telkens trager. En dat terwijl de vertraging aanvankelijk verdwenen leek. De neuroloog en de chirurg overlegde bij het scherm met scan van mijn hersenen. Zij kenden de hersenkaart uit hun hoofd, blindelings wisten zij de gebieden in de hersenen aan te wijzen. Zoals wij de waddeneilanden herkennen, of oudere mensen Sumatra kunnen aanwijzen op de kaart van Indië, kunnen zij de zwarte kern lokaliseren. Ik kon hun beraadslagingen half volgen. Ze bespraken of de elektrode op een andere plaats moest komen. Dat ik zo most lachen was een aanwijzing dat de zwarte kern slechts deels in het bereik van de elektrode lag; naast het bewegingscentrum werd ook het limbisch systeem beïnvloed, de plek die de emoties regelt.