DBS-Log #46: Onder de tulband een kuttekop

De dag na de operatie genoot ik van de rust op mijn kamer. De man tegenover mij was na een korte ingreep ontslagen, en voor die tijd had hij weinig lawaai om zich heen. Best irritant, als zijn vrouw kwam fluisterde ze zo zacht dat ik niets kon volgen. De andere twee bedden waren onbezet. Ik kon zonder onrust bijkomen. Voorlopig althans, mijn deel burengeraas zou ik nog krijgen, maar dat wist ik toen nog niet.

De dag op een ziekenzaal begint vroeg, uitslapen is er niet bij. Tegen zevenen komt de eerste zuster op de zaal - ik weet dat ze verpleegkundige genoemd moeten worden, maar het bekt lekkerder om zuster en broeder te zeggen - voor de wake-up-call, weliswaar met gedimd licht, maar onverbiddelijk. Er wordt geïnformeerd naar de nacht, pisbuizen omgespoeld, pillen en prikken uitgedeeld, pleisters geplakt en positieve peptalk uitgesproken.

Ik ben niet zo van de sociale contacten. Zeker ‘s ochtends niet. Eigenlijk ben ik een brombeer met destructieve neigingen. Maar ik deed het best aardig, al zeg ik het`zelf. Als de pillen en poeders, keurig in de digitale volgwagen ingevoerd, achter de rug waren, was er tijd om de natte cel op te zoeken. Met een washandje maakte ik toilet. De douche was verboden terrein met mijn hoofdwonden. Ik poedelde me bij het fonteintje, ontdeed me van de nachtbaard en sanexte mijn oksel.

Fris en fruitig kroop ik daarna weer in mijn bed. Ik wachtte de etenswagen af. Ik wist uit ervaring dat ik om waldkornbrood moest vragen om iets substantieels in mijn maag te krijgen. Plakjes kaas per stuk verpakt, hagelslag in eenpersoons verpakking, en minicupjes jam. Kopje thee erbij, wat sap en fruithapje als toetje.

En klaar voor het volgende onderdeel: de zaalarts. De ene keer kwam die met zijn supervisor soms mocht hij zonder. Hij beoordeelde mijn wonden, deed de neurologische testen en toonde zich elke ochtend tevredener. Ik vermaakte me met de hiërarchische medische verhoudingen. Toen ik de derde dag misschien wel mocht vertrekken, ontstond er twijfel over de grootste hoofdwond. Was die voldoende dicht of bestond er nog een kans op infectie. De semi-arts twijfelde, vroeg raad aan zijn supervisor, die eigenlijk ook nog in (specialisten-) opleiding zat, zij aarzelde en zocht bevestiging van haar oordeel bij de eindverantwoordelijke arts, een jonge kordate vrouw die elke dag met andere, maar steevast fors behakte laarzen zelfverzekerd de zaal opmarcheerde, en besloten werd nog een dagje te wachten. Hoe hoger de status hoe minder tegenspraak en hoe kleiner de zelfverzekerdheid van de semi-arts.

De laatste dag eindigde de opschaling boven mijn hoofd met de professor, iedereen in een witte jas zweeg vol ontzag, niemand sprak hem tegen, ik ook niet want hij vond het goed dat ik mijn spulletjes pakte, mijn vrouw zou bellen en dat ik naar huis kon gaan. Hij vond dat wond goed genas en dat de plooitjes in de wond mooi gevaginaseerd waren, ik verzin dit niet, die quasi Latijnse term gebruikte hij. Ik was niet ad rem genoeg om te vragen of ik nu een kuttekop had. Ik mocht naar huis, waar niemand het zou wagen potjeslatijn te bezigen of anderszins onrust zou stoken.