Ik mocht dus op vrijdag naar huis. Eindelijk. Ik weet dat het in vergelijking met andere gevallen peanuts is, maar ik had het wel gehad in het ziekenhuis. Zeker toen ik vrijdagochtend verrast werd met de plotse terugkeer van mijn kamergenote die zelf vriendelijk en rustig was, tevreden met haar eigen vergeetachtigheid; dementie is vooral een probleem voor de omgeving zoals zal blijken.

Het begon op de middag na mijn operatie. Het bed naast mij, slechts af te scheiden door een dun gordijn, werd het centrum van een kluwengezin. In het bed kwam een oudere dame, die zoals ik al snel kon opmaken uit het verhaal van het massaal meegekomen nageslacht een vervelende operatie in het hoofd moest ondergaan. Genoeg reden voor ongerustheid, gun deze patiënt een eenpersoonskamer, dacht ik.

Ik vermaakte me aanvankelijk nog met het afluisteren van het groeiende gezelschap. De oudere mevrouw werd gesecondeerd door twee net-geen-zestigers, dochters die de laatste modes in brillen en wintertruien gemist hadden en tot over hun oren in het mamamantelzorgen zaten. Toen de zaalarts de situatie kwam opnemen, en aan de patiente op leeftijd vroeg hoe het er voor stond, kreeg hij een reprimande van de hoofddochter. Gelukkig kon ik niet zien hoe de jonge arts werd gekapitteld. Het moet verschrikkelijk voor hem zijn geweest. Hij werd omvergeblazen. Ik vond dat hij zich er nog behoorlijk manmoedig doorheen sloeg. ‘Als u zulke vragen stelt krijgt u antwoorden die nergens op slaan, stel alleen duidelijke vragen, ja?’, duidde de dochter die met doorrookte stem de leiding leek te hebben. ‘Okee, heeft u pijn?’, verbeterde de arts zijn vraag. En zo worstelde hij door.

Regelmatig werd de moeder door een der dochters afgekapt. Ze ontmaskerden hun moeder genadeloos, die ondanks vergeetachtigheid haar waardigheid wilde behouden door iets rooskleuriger te antwoorden dan de grauwe werkelijkheid was geworden. ‘Nee, mam, je praat erom heen, je kunt dat echt niet meer...’. Ik zag de dochter bij wijze van spreke met haar ogen rollen.

Wat moet je, als je ligt bij te komen van je eigen herseningreep en alleen rust om je heen wilt en je bent getuige van een potje bejaardejennen? Vragen om enige compassie leek onmogelijk. Ik probeerde me af te sluiten van het gesprek, dat zelfs bij intieme aspecten op luide toon gevoerd werd. Helemaal moeilijk werd het toen in de loop van de middag de schoonzoon, en de kleinzoon met echtgenote zich bij het gezelschap voegde en tot ver na bezoekuur over het gekwetste hoofd van oma heen klepten. Ik kon mijn eigen bezoek nauwelijks verstaan, maar je hoort mij niet klagen.

De dochter had al jaren geleden door schade en schande wijs geworden de zorgregie over haar moeder overgenomen en weigerde die nu dan ook over te dragen aan de verpleging. Hoofdschuddend keek ze de verpleegkundige na toen die niet meteen het juiste tablet in de medicijnenwagen kon vinden en even de zaal verliet om de voorraad aan te vullen. ‘Niets kun je aan die jonge dingen overlaten.’

Bedenk je duizend maal voor je je nageslacht een medische volmacht geeft in je levenstestament. Bouw een voorbehoud in. Ik zou zeggen dat bij te assertief optreden de volmacht ingetrokken dient te worden ter beoordeling aan een selectie van toevallige omstanders met een goede neus voor gezonde verhoudingen. Ach, ik wilde gewoon niet gestoord worden in mijn herstel.

Dat dacht ik helemaal toen de volgende ochtend om half zeven de dochter opnieuw ter ziekenzaal verscheen om haar moeder klaar te maken voor de operatie. Ze liep de verpleging vakkundig in de weg. Toen een uurtje later de andere zus inclusief man ook verscheen om oma sterkte te wensen, contempleerde ik over de aard van de grenzen die privacy in het openbaar kent. In onze doorgeschoten liberale marktwerkingssamenleving geldt het recht van de brutaalsten, dat is de kern van de haaiebaaimaatschappij. Zolang de bruten hun recht kunnen doen gelden is het goed, maar rekening met anderen houden is er niet bij. Als het nodig is dan wordt die grens, in feite niets meer dan een flinterdun tussengordijn, opgeschoven tot aan de bedrand van de medepatient. En als die dat aanhangig wil maken bij de zaalleiding, berustend bij de zaalarts en zijn zusters en broeders is hun reactie: polderen, onderling overleggen,

‘Heeft u al zelf iets geprobeerd’.

‘Nee, godvernee, ik lig hier bij te komen van een boorpartij in mijn kop’.

Ik pleit voor ferme hoofdzusters, die met gesteven witte kap op het korte kapsel en die op het schort, vlak boven de linkerboezem de met vlijt en toewijding meer dan verdiende verpleegspeld draagt, uitgereikt na jarenlange studie en vele uren praktijkervaring en die met gezag om acht uur de zaal opkomt, geschoeid met vlakke schoenen met spekzolen en die het bezoek wegstuurt met één oogopslag en een kort kuchje. Of is dat gek?