Heel behoedzaam, bevreesd om te vallen, liep ik naast mijn Lief de afdeling af. ‘Beneden haal ik een rolstoel om je naar de parkeergarage te rijden,’ zei ze terwijl ze het knopje van de lift indrukte. Ik knikte. Ik bleef een gevoelige linkervoet houden en had zo weinig gelopen de afgelopen dagen dat ik onzeker ter been was geworden. Het ziekenhuis heeft een grote entree, zo een die de allure heeft van een vertrekhal van een vliegveld,

met eetkiosken, kleine winkeltjes en rondrijdende golfkarretjes waarmee patiënten mee vervoerd worden. Precies dat waar ik geen behoefte aan had: veel mensen en drukte. Een rolstoel zou perfect zijn.

Nee, dan was het op verpleegafdeling een stuk overzichtelijker, dacht ik toen ik op een bankje de rolstoel afwachtte. Ik had geen reden tot klagen over mijn verblijf. Tot zover ik kon beoordelen had ik een perfect operatieteam aan mijn bed gehad. Het bijzondere van mijn operatie was natuurlijk dat ik bewust had meegemaakt hoe de operatie verliep, en hoe iedereen zijn best deed. Het team was prima op elkaar ingespeeld, had alles tot in de details voorbereid, van scalpel tot waterijsje, en werkte nauwkeurig en efficiënt. Voor en na de operatie vond ik het contact met de verpleegkundigen plezierig. Ze namen al mijn kleine en grote pijntjes, vragen en roepen om aandacht serieus en deden dat ook nog eens met humor. En ze maakten kilometers, heel veel kilometers en lange dagen, zonder klagen.

‘Kom we gaan, stap voorzichtig in,‘ zei mijn Lief. Ze duwde mij in de rolstoel en trok het vliegtuigkoffertje met mijn kleding achter zich aan. Ik hield het kleine boeketje bloemen op mijn schoot, dat na de operatie met wat kaartjes op mijn nachtkastje had gestaan. Tegenover de receptie naast de glimmende en glamorous versierde kerstboom die ondanks zijn forse omvang een beetje wegviel in de hoge ziekenhuishal, was de lift naar de parkeergarage. Mijn rolstoel en mijn in tulband hersenpand imponeerden - of was het medelijden -  voldoende om een plaatsje te bemachtigen in de lift.

Net als maandag toen ik in deze ziekenstad arriveerde vond ik het kil en tochtig in de ondergrondse parkeerschacht. Ik trok mijn sjaal strakker om mijn nek. Opgelucht dat ik nu bijna thuis was, ging ik in de auto zitten. Mijn Lief startte de wagen en we vertrokken. We reden omhoog, de invallende decemberdonkerte in, weg van het ziekenhuis, dat genoeg beslag op onze tijd en energievoorraad had gelegd. De hefboom ging omhoog, ze gaf gas en stuurde de avondspits in. Voorlopig even geen wachtkamers meer, dacht ik toen we ons in de rij wachtende auto’s voor het kruispunt Campersingel-Damsterdiep voegden.