Een bescheiden kerstboompje stond naast de kast. In alle hectiek had mijn Lief toch nog kans gezien om voor wat kerstsfeer te zorgen in huis. Kaarsjes en kerstverlichting. Ook het terracotta kerststalletje

dat we ooit op een bloedhete dag in Italië kochten stond opgesteld op het vaste plekje. Ik schuifelde naar mijn luie stoel. Hond P. kwam zelfs speciaal voor mijn thuiskomst uit zijn mand achter me aan om een welkomstsnuffel te geven. Mijn dochter omhelsde mij, blij dat ik ongeschonden thuis was gekomen. Ik had vooraf dan wel heel stoer geroepen dat ik het allemaal wel even zou doen en overleven, maar die bluf had ze natuurlijk doorzien, daarvoor is ze genoeg vrouw.

Overal stonden bloemen. Ik bekeek de stapel kaarten met goede wensen die de post had bezorgd. Al zijn appjes handig en snel, kaartjes in envelopjes met handgeschreven wensen zijn toch een niveautje persoonlijker. Op tafel lag een welkom-thuis-cadeau dat vrienden hadden gegeven. En langzaam voelde ik de vermoeidheid op komen. ‘Ik ga mijn bedje eens opzoeken,’ kondigde ik aan. Met enige moeite en ondersteuning beklom ik de trap naar boven. Het bed lag heerlijk. Mijn eigen geluidjes en schaduwen, dit was mijn koninkrijk, hier hoefde ik geen schijn op te houden, dit was thuis. Op mijn nachtkastje lag het boek waarin ik begonnen was voordat ik werd opgenomen. En de stapels medicijnen die ik voorlopig niet meer nodig had. Ik trok het dekbed over mijn vermoeide lichaam en zonk weg in een droomloze slaap.

Na twee uur werd ik gewekt. ‘Het eten is klaar, kom je?’ Natuurlijk, maar al te graag. Ik kleedde mij aan, daalde voorzichtig de trap af en schoof aan tafel. Pas na het eten arriveerde mijn zoon. We waren compleet. Tevreden zat ik in mijn stoel. Nu alleen nog bijkomen van de vermoeidheid en over een paar weken zou ik kunnen profiteren van de geneugten van de DBS.

We hadden het alle vier, op onze eigen manier, spannend gevonden en vermoeiend. Ik luisterde hoe zij de dag van de operatie hadden ondergaan, dat zij in de loop van de ochtend steeds meer de klok en de telefoon in de gaten hadden gehouden. Het voelde alsof de examenuitslag bekend gemaakt werd. Dat het een opluchting was toen de chirurg eindelijk tegen half drie had gebeld en meldde dat de operatie geslaagd was, zij het met wat complicaties (het opnieuw inbrengen van de elektrode). Ik herinnerde me dat ik toen ik in complete verwarring op de uitslaapkamer nog wel geïnformeerd had of mijn vrouw wel gebeld was. ‘Natuurlijk meneer.’

Terwijl ik het vertel begin ik te stotteren. Woorden verlaten mijn mond sloom en onduidelijk gearticuleerd. Soms komt er niets. Niemand zegt er wat van. Ik had het in het ziekenhuis ook al enkele keren meegemaakt, dat ik halverwege de zin stil viel. Ik weet dat dit een bij-effect van de operatie kon zijn. Uiteraard weet ik dat het zal wegtrekken. Toch knaagt het. Stel dat ik in deze hakkelende toestand blijf steken. Dat ik niet langer van de tongriem gesneden ben. Dat ik niet meer uit mijn woordenbrij zal kunnen komen. Dat ik het zonder snelle woordspelling, hoe flauw ook soms. Ten slotte demonstreer ik maar weer eens hoe soepel mijn linkerpols en -hand toch is geworden.