Het was nog rustig op de eerstehulppost van het ziekenhuis. Of eigenlijk de weekenddienst van de gezamenlijke huisartsen. Er liep een kerel rond met een bebloed gezicht, hij werd afgeleverd door twee agenten en maakte de indruk dat hij stijf van de speed stond. Het was  zondagochtend ver voor koffietijd, en ik zat met enorm verband om mijn hoofd op een geleende rolstoel te wachten op mijn beurt. ‘U komt voor uw...eh...voet,

’ had de receptioniste gevraagd, ‘ja sorry dat ik het vraag maar u komt niet voor uw hoofd?’ terwijl ze nadrukkelijk keek naar mijn kopverband.

De dienstdoende weekendhuisarts wreef over zijn kin. Hij probeerde kort samen te vatten wat mijn status was. Parkinson, DBS, hersenoperatie, nog herstellende, net ontslagen uit het ziekenhuis. ‘En toen?’

‘Toen ging ik gisteren de trap op, en halverwege hoorde ik een knak en voelde tegelijkertijd een niet te harden pijn in mijn linkervoet. Ik kon er niet meer op staan zonder een stekende pijn te voelen.’ Dat de tranen mij in de ogen sprongen liet ik onvermeld, dat ik luid vloekte ook.

Ik wees naar mijn voet die ontbloot naast mijn schoen stonde. ‘Hier zit de pijn.’ Bijna exact legde ik de vinger op de zere plek, aan de buitenkant van mijn linkervoet. Precies de plek die ik al maanden voelde, de pijnplek die met het label ‘dystonie’ werd afgedekt, waar geen behandeling voor was dan de constatering dat er weinig aan te doen is.

‘Ik denk dat ik de voet zo heb overbelast door de scheefloop, dat er nu flinke schade aan is ontstaan.’ Dat ik wel zeker wist dat een middenvoetsbeentje was gebroken, hield ik nog even voor me. De arts nam een besluit, het enige waar we akkoord mee zouden gaan. ‘Een röntgenfoto moet uitsluitsel geven, ik bel wel even met de mensen daar zodat u meteen duidelijkheid heeft.’ De arts boog zich over zijn telefoon, overlegde met de collega en maakte de afspraak dat ik meteen kon komen.

Ik liet me duwen door de stille gangen van het ziekenhuis naar de spoedeisende hulp afdeling, en wachtte daar op een arts. Kort bekeek ze mijn voet en stemde in met en foto. ‘U wordt zo opgeroepen.’ En ik zat weer in mijn vertrouwde wachthouding.

Op de afdeling röntgenfoto’s moest ik op een verhoging zitten met mijn voet op een klein dansvloertje met lijnen. ‘Kunt u hem recht houden?’ Geen probleem, nu ik soepel in mijn gewrichten zit. Ik keek naar het röntgenapparaat dat boven de voet geplaatst werd. De medewerkster die achter een schermpje zat, hoorde ik verwoed op knoppen drukken. Ze zuchtte en lachte zenuwachtig: ‘Hij doet niet wat ik wil dat hij doet.’ Ze frunnikte aan de lens en ineens klonken er metalen klikjes. Opname gelukt. Ik klom met enige moeite van het podium, terug in mijn rolstoel. Voor ik een blik kon werpen op de X-ray van mijn voet, werd ik naar buiten geduwd, en mocht ik even wachten, tja.