Na weer tien minuten wachten mocht ik een ruimte binnen rollen die me deed denken aan het magazijn van een handvaardigheidslokaal. Kasten vol uitpuilende schappen en manden vol verbindmateriaal, een verstelbare behandelstoel met daarnaast op een verrijdbaar tafeltje glinsterende instrumenten. Bij het gootsteentje lagen restjes gips en enorme scharen.

‘Wacht u hier maar even. De dokter komt zo.’ Ja hoor, eventjes nog. Ik keek mijn Lief aan, en zei dat ik hier niet zonder gips aan mijn voet weg zou komen. Ze knikte. Een week of zes, vermoedde ik. Wacht maar af. En daar kwam de arts. Weer een vrouw. Ze liet me vertellen hoe ik dacht de pijn in de voet was ontstaan. ‘Ik had al ver voor de operatie steeds meer last van mijn linkervoet. Je kunt het ook zien aan het afslijten van mijn schoenzolen.’ En weer vertelde ik over het knakmoment op de trap. De arts knikte en sprak: ‘Het is zichtbaar op de foto dat u een breukje in de linkervoet heeft. Het is een al eerder geheeld breukje dat opnieuw is gebroken. Het zit in uw meest linker middenvoetsbeentje, daar waar u waarschijnlijk veel op gelopen heeft.’

Ik kon de gedachte niet onderdrukken dat ik had rondgelopen met een gebroken voet en dat niet was gebeurd als de wachttijd voor de DBS niet tot anderhalf jaar was opgelopen. ‘Gezien de plek van de breuk stel ik voor de voet niet te belasten en in te gipsen voor tien weken. Maar ik wil dat gezien uw operatie en herstel nog verder overleggen. Tot donderdag gipsen wij u in ieder geval in met een spalkje en dan zien we donderdag wel verder.’ Even wachten dus, begreep ik.

De arts nam afscheid en maakte plaats voor een tweetal gipsmeesteressen. Uit kastjes en laatjes haalden zij gips, verband, rolletjes tape en andere attributen. ‘Die broek moet u maar uit doen, die is te mooi om te verknippen. Wij hebben wel een noodbroekje voor u.’ En zo lag ik in mijn onderbroekje op de behandeltafel met mijn linkerbeen op een verhoging - blij dat ik al jong de les geleerd had om elke ochtend een schone slip aan te trekken, je weet nooit of je een ongeluk krijgt. De gipsvrouwen deden hun werk snel en vaardig. Behendig wikkelden zij mijn voet in het verband. Tot bijna tot aan mijn knie verdween mijn onderbeen in het sneldrogende gips.

Tien weken, dan is het eind februari, realiseerde ik me. Ik keek hoe alleen nog mijn tenen onder het gips uitstaken. Tien weken. Plus nog een aantal weken revalidatie, dan kan ik pas in maart gewoon lopen en kan ik dan pas profiteren van het inschakelen van de DBS. ‘Trekt u deze maar aan,’ zei een van de vrouwen. Ze reikte mij een operatie-groen, knisperende plastic broek aan, aan, zo een als in een OK gedragen wordt. Met mijn tulband om en met mijn rolstoel zag ik er met de klomp gips aan mijn been nu compleet gehavend uit. Als ik de foto bekijk die we maakten toen de gipsmeesteressen klaar waren, ‘Als wij er maar niet op staan.’  hoe ik mijn nieuwe broek vastsjor, zie ik mezelf grijnzen om een zelfbedachte grap, terwijl ik van binnen sombere rekensommen maakte, hoe lang ging dit duren?