Op maandag voor kerst kreeg ik de beschikking over een rolstoel. Twee grote wielen met een daarop gemonteerd een hoepel waarmee je met je hand het wiel en daarmee de rolstoel in beweging kan brengen. Je moet een beetje kano-ervaring meebrengen om te draaien:

wil je een bocht maken dan moet je het ene wiel vooruitdraaien en de ander achteruit, net als je met je peddel doet. Mijn been kan ik laten rusten op een vooruitgestoken beensteun. Voor de andere voet is er een voetsteuntje.

Zodra ik moet plassen, geef ik een teken van leven, waarop in de regel mijn Lief in actie komt om me te transporteren. Ze duwt mij dan naar de wc-ruimte, stopt de kar voor de geopende deur, checkt of ik de rolstoel op de rem heb gezet en laat mij dan pas uit de stoel opstaan en richting het toilet te hinkelen. Ik begrijp nu wel waarom een verhoogd toilet handig kan zijn. Het is nogal een diepte uit stand naar de wc-bril, die je buksgewijs moet overbruggen. En zeker als je maar een been kunt gebruiken om te bukken. Anderzijds is het bijzonder hoeveel je als gehandicapte nog kunt. Willen is kunnen. Wellicht is het hebben van twee armen, twee handen en twee benen minder belangrijk dan het hebben van doorzettingsvermogen. Zonder dat kom je er niet.

Kunnen aanpassen aan gewijzigde omstandigheden is een levenskunst, of beter een overlevingskunst, of nog beter het de-nering-naar-de-tering-zetten-werk. Als full-time chronisch zieke doe ik dagelijks niets anders omdat ik weet dat bij de pakken neer gaan zitten zinloos is. Sterker: het is funest, je moet allert blijven. Laat de beperking je niet ophokken in en steeds verder afgebakend speelveld.

En dus maak ik er een sport van om slimme aanpassingen te doen. Belangrijkste les: wees niet te snel, houd je aandacht erbij. Gelukkig heb ik een perfecte adaptie-coach aan mijn zijde. Zij verstrekt praktisch slimme tips en tricks om bijvoorbeeld veilig de trap af te komen. Ik ben geneigd om snel en dus onvoorzichtig te handelen. Zodra ik gezeten op de trap, een trede omhoog ga, dan moet ik met een been afzetten. Doe ik dat met mijn linkervoet (die in het gips zit) dan word ik door haar tot de orde geroepen. ‘Niet slim, andere voet,’ zegt ze. En zo word ik dagelijks behoed voor verdere rampen. Dankzij mijn praktisch-slimme echtgenote.