‘En hoe gaat het er nu mee, je ziet er een stuk beter uit dan op de foto die je stuurde.’ De bezoekers op de bank kijken mij blij aan. Ze kwamen pas toen mijn tulband niet meer nodig was. Nu zij op ziekenbezoek komen, gaan de wonden op mijn hoofd niet langer verborgen onder een donkere laag opgedroogd bloed. Geleidelijk zijn de korstjes - ik beheers me tot het uiterste om niet te krabben - verbrokkeld tot restjes.

De kaalgeschoren stukjes hoofd, mijn drievoudige tonsuur, herstellen. Rondom de boorgaatjes groeit alweer wat haar, nog even en je ziet er niets meer van, zoals een dichtgegooide kuil in het gazon na verloop van tijd niet meer valt aan te wijzen.

Tja, denk ik, zinnend op een antwoord van het bezoek. Terwijl het leven om me heen zijn eigen gangetje herneemt zoek ik nog onwennig naar mijn weg. Ben ik nou beter of niet? Ben ik herstellend of genezen? Natuurlijk, een chronische zieke wordt per definitie niet beter, dat weet ik, dat is mijn lot. Maar het gaat evengoed wel beter met me, ook in een neergaande lijn zit af en toe een min of meer recht deel, een stukje vals plat, waar ogenschijnlijk geen achteruitgang valt aan te wijzen. Ik wil het bezoek niet lastig vallen met somberstemmende verhalen en geef een positief antwoord: ‘Het gaat de goede kant op. Van de operatie heb ik nauwelijks last meer.’ Ik vertel manmoedig over elektrodes en draadjes in mijn hoofd en een kastje in mijn borstkas. Soms iets te enthousiast. Ik roep nog net niet of het bezoek wil voelen, dat je het DBS-apparaatje echt kunt voelen zitten, ‘Hier voel je het kabeltje omhoog gaan, hier in mijn hals’. Slechts de verpleegkundig geschoolden onder het bezoek durven te kijken naar mijn hoofdwonden.

Of ik antwoord dat ik nog zes weken gips te gaan heb, dat ik bijna op  de helft zit en dat ik genees zonder erbij stil te staan. Een breuk geneest en is voorstelbaar voor iedere bezoeker. Ook voor degene die niet tegen bloed kan. Gelukkig kan ik het allemaal zelf toelichten. Dat is ook een vooruitgang. Vlak na de operatie sprak ik met een dikke tong, kon ik bij wijle niet op woorden komen - ze lagen niet eens op het puntje van mijn tong - en stotterde ik. Dat gebrek is nu verdwenen, al merk ik nog wel dat ik onvoldoende geoefend heb met spreken, een VLOG is misschien een idee? Nee, serieus. Ik kan verhalen over mijn herstel doen. Je moet je bezoek hoop geven, anders durft er straks niemand meer te komen. ‘Ik had wel weer willen komen, maar ik kreeg na de ene keer bijna nachtmerries van de bloed-en-horror-verhalen van AJ, dus...’

Maar ik neem mijn bezoek serieus. Ze komen uit belangstelling, uit zorg, uit liefde, en dus vertel ik eerlijk dat ik niet precies weet hoe het gaat. Dat ik door de pech van de gebroken voet, niet kan vertellen hoe ik er voor sta. Dat ik niet goed kan ervaren hoe de aanvankelijke soepelheid langzaam wegtrekt en de stijfheid terrein en ledematen wint. Dat ik pas kan zeggen of de operatie geslaagd is als mijn DBS-apparaatje, - ‘Kijk hier, onder dit litteken zit ie,’ - wordt ingeschakeld en de elektrische stroompjes hun werk doen. En dat ik door die gipsen voet niet kan voelen hoe stijf ik ben en of het moment van terug naar af is bereikt. Want het herstel begint pas als de tijdelijke operatiebonus is uitgeblust. Dat vertel ik mijn bezoek ook.

Gelukkig begrijpt het ziekenbezoek ook dat ik behoefte heb aan verhalen uit de wereld, want al dacht ik dat ik een klein wereldje gewend was, na mijn voetbreuk is mijn wereld pas echt klein geworden, net als drempels heuse bergketens zijn geworden en loopjes in huis, trajecten van formaat zijn. Na mijn medische uiteenzettingen wordt het ziekenbezoek gewoon bezoek. En praten we gewoon over van alles, van werk, kinderen en vakanties. En is het gezellig. Daar word ik beter van.