Geroutineerd duwde mijn Lief mij door de parkeergarage van het ziekenhuis naar de lift. Ik zat er ook ervaren bij, alsof ik al jaren in een rolstoel rondgereden werd. We lieten het bureaucratische gedoe bij de opnamebalie gelaten over ons heenkomen, ik overhandigde mijn oproepbrief en mijn ziekenhuispasje zonder ausweiss-opmerkingen te maken en knikte bereidwillig op alle vragen. De weg naar de afdeling kenden we, uiteraard, geen probleem.

Op de afdeling leek alles hetzelfde als anderhalve maand geleden. Tuurlijk, ik wist ook wel dat we een etage lager zaten dan waar ik gelegen had, maar de geur, het licht en de geluiden kwamen overeen. Iets na tienen werden we opgehaald uit de wachtruimte en traden we een kleine spreekkamer binnen waar het zou gebeuren. Het. Vandaag was het tijd voor de aan-knop, het DBS-apparaat werd in werking gezet. Hiervoor had ik me in mijn hoofd laten boren. Dit zou een magisch moment worden, vonken in de donkere kern.

Voordat het zover was, werden mijn haperende handen en bevroren benen op video opgenomen. Ik moest ‘rijdende artillerie’ en ‘Leentje leerde Lotje lopen langs de lange Lindelaan’ nazeggen. Ik deed mijn best, maar met vlijt alleen kom je er niet. Mijn bewegingen en articulatie konden wel een sprankje energie gebruiken, was de conclusie.

Op tafel stond een smal rechthoekig apparaat, een soort van i-pad met een dikke beschermlaag eromheen, sommige pakketbezorgers laten je op zo’n apparaat een krabbel zetten, voor ontvangst. Hiermee kon mijn ingebouwde DBS aangezet worden. Door een klein contactpunt dat voor mijn borst gehouden werd, maakte het apparaat verbinding met mijn onderhuidse DBS, dwars door het litteken heen.

‘We gaan nu per elektrode een optimale instelling zoeken,’ legde de DBS-expert uit. Ze plakte het contactpunt met wat tape aan mijn borst. Met haar pen tikte ze op het scherm en keek mij aan. ‘Wat voel je?’ Ik concentreerde me op mijn rechterkant. Niets. Ze raakte het displays nogmaals aan. Weer niks. Nog hoger. ‘Beweeg je voet eens, hak op de vloer, met je voorkant tappen.’ Een redelijk vlotte tapsessie volgde. De pen tikte opnieuw, ik voelde uit het niets een lach opkomen. Ik wist dat ik deze lach niet kon onderdrukken. Als een plas die niet in de blaas te houden viel. En dat terwijl er eigenlijk niets te lachen viel. Ik had vooraf verteld over het dwanglachen tijdens de operatie. Ergens hield ik ermee rekening. Echter dat het zo vroeg, bij de eerste instelpoging al zou optreden had ik niet gedacht. Ik kreeg hetzelfde gevoel als toen bij de operatie de elektrode eruit gehaald werd en opnieuw in mijn brein geschoven werd: is het dan allemaal om niets geweest?