Vijfduizend stukjes. Weken van sorteren op kleur en vorm, turen naar het voorbeeld, speuren naar de juiste plek. Eindelijk, het was voltooid. Vanochtend keek ik nog een keer naar de Toren van Babel. En toen pakte ik de doos en begon de stukjes erin te gooien. Klaar.

Wat begon als een tijdverdrijf, een middel om tien lange weken door te komen, weken waarin ik mijn wereldje zo klein zag worden dat ie zou passen in de doos van de puzzel, weken waarin ik mijn voet niet mocht belasten, weken waarin mijn middenvoetsbeentje genezen moest. En geheeld was het, dat minuscule botje, zoals de arts op een maandagochtend begin maart aantoonde met de foto’s. Op de eerste foto was duidelijk te zien waar het breukje zat. De tweede liet zien dat er nieuw botweefsel was gegroeid. ‘Het is sterker dan eerst, je kunt er alles weer mee doen,’ benadrukte de arts. Ik knikte en begreep dat ik nu uit de rolstoel kon stappen.

Ik probeerde die middag voorzichtig stappen te zetten in huis. De trap ging ik niet op, daar was het immers gebeurd. Onwennig en onzeker verplaatste ik me van de keuken naar de woonkamer. En toen het binnen goed ging, ging ik naar buiten om een rondje hond te doen. En het lukte. Ik koos voor de zekerheid een korte route. Ik keek verwonderd rond in mijn eigen straat alsof ik maanden op reis was geweest. Bijna verbaasd dat alles nog op zijn plaats stond. Mijn linkervoet bracht me weer thuis, hij hield het.

En toen begon het te regenen, urenlang, dagen achter elkaar. Op tafel lag nog de puzzel van 5000 stukjes; onzichtbaar vorderde het werk. Ik hoefde niets anders te doen dan te zitten en te zoeken. En ik moest opletten of ik iets voelde. Door de immobiele weken was ik in voet, been en rug stijf geworden. Met pijn en moeite, dit keer letterlijk, kon ik zittend mijn sokken aantrekken. Nauwelijks kon ik zo ver vooruit reiken. Of zaten de extra kilo’s, de bijvangst in de buikstreek van de stilstand, in de weg?