De Westerkrant. 4-11-2015

Een slechte gewoonte kies je niet, die ontstaat onbewust. Het begon met af en toe een woordje, vooral stopwoordjes. Elke week zat ik in de piepzak. Zou iemand het ontdekken? De euforie als ik door het oog van de naald gekropen was. Bij iedere nieuwe column beloofde ik mijn leven te beteren. Ik verzette me heftig tegen mijn woordmisbruik. Journalistiek is immers gebaseerd op vertrouwen. Maar helaas, het ging van kwaad tot erger. 

 

Ik ben volwassen, maar ben ook maar een jongen. Een bijzonder slimme jongen met een groot schrijftalent, maar met een groot gebrek aan een journalistiek-ethisch kompas.

 

Het bleef niet bij stopwoordjes. Al snel volgden bijzinnetjes en doken door anderen afgesleten cliché’s op in mijn teksten. Ik strooide andermans woorden als pepernoten door mijn teksten. Merkwaardig genoeg uitte niemand kritiek op mijn onethisch gedrag. Niemand hield een oogje in het zeil. Zei iemand maar dat ik op mijn woorden moest letten, op mijn eigen woorden. Nergens klonk een waarschuwend woord. Logisch nadenken had tot argwaan en kritische vragen moeten leiden. Niet dus.

 

Toen was het hek van de dam. Ik nam volledige zinnen over, inclusief cursivering en interpunctie. Ik citeerde mensen uit andere media zonder bronvermelding alsof ik ze zelf had gesproken. Keurig tikte ik ze letter voor letter over; voor mij geen knip-en-plak, zo makkelijk wilde ik me er niet van afmaken. Ik moest wel het gevoel hebben dat ik het zelf geschreven had. En ik herhaal het nog een paar keer. Het werd me erg makkelijk gemaakt zonder plagiaatscanner.

 

Ik kon er niet meer mee stoppen. De kopieerdrang, als ware ik een middeleeuwse monnik, groeide. Ik ben volwassen, maar ben ook maar een jongen. Een bijzonder slimme jongen met een groot schrijftalent, maar met een groot gebrek aan een journalistiek-ethisch kompas.

 

Tot vorige week: de ontmaskering van een stagiaire. Hij had stukken overgeschreven. De hoofdredacteur betrapte hem en trad op. Het bracht mij bij zinnen. Ik geef mijn woord.