Ik deed een stap vooruit en voelde hoe mijn voet weggleed.

Verdomme.

Is het nou echt teveel moeite om zo’n stoep sneeuwvrij te maken?

Gisteren viel er sneeuw. Leuk natuurlijk, voor de kinderen uit de buurt, op zaterdagochtend sneeuw. En het bleef liggen ook. Helemaal tof. Sleetjes en sneeuwpoppen verschenen in het straatbeeld. En je zag vaders denken, nu sneeuwruimen is zonde van het papa-moment. Liever sneeuwballen gooien met het kleine grut dan de burgerplicht vervullen. Auto’s reden stapvoets, fietsers stapten af. 

Ik trok mijn bergschoenen aan, om met warme voeten de hond uit te laten in de sneeuw. Hij snuffelde aan de sneeuw, sprong als een jong veulentje de straat op, en rolde zich ten slotte door de verse sneeuw. Ik rende achter de hond aan. Zo genoot iedereen van de sneeuw.

Totdat het ging dooien en vlak daarop ging ijzelen.

Niemand is blij met ijzel. Niemand gaat de kou in met een emmertje zout om de gladheid aanvallen. Of met een sneeuwschuiver ijsschotsen van de stoep afsteken. Het gaat toch dooien dus waarom je uitsloven.

‘s Nachts vroor het weer. Op de niet geveegde stoepen prijkte vanochtend een laag opgevroren papperige sneeuw, bedekt met een spiegelgladde ijzelafzetting. Opnieuw reageerde de hond enthousiast op de winterse elementen en trok hard aan zijn riem. Ik voelde hoe mijn voeten grip misten. Met geluk bleef ik op de been. 

Bozig baande ik mij een weg door de gladheid. Boos omdat barse, norse, nukkige oude-mannen-gevoelens mijn gemoed bepaalden. Zo jong en dan al klagen als een bejaarde, het moet niet gekker worden.