Koude tegenwind prikt in zijn gezicht. Hijgend fietst hij door de duinen naar huis. Zijn klasgenoten nemen ‘s winters de tram. Hij niet. Nog een paar bochten tot het landhuis. Daar staan de kleine paarden met lange manen en enorme staarten bij elkaar te schuilen tegen de kou. Melancholieke ogen, zachte ponyneuzen en ruige ponylijven. Zijn fiets legt hij langs het duinpad. Hij pakt zijn Rolleiflex. Door de zoeker ziet hij het zadeldak van het afgebladderde witte landhuis en het roodbruine houtwerk. Daar lopen ze, in een kaalgevreten veld, omringd door doorn- en bessenstruiken. 

Ze staan bij elkaar.