Ik was mijn handen met een steriliserende vloeistof. Op de verpleegafdeling neurochirurgie wil men geen onnodige risico’s lopen. Die zijn daar al genoeg. Ik loop achter mijn moeder aan door de gang langs de balie van de verpleging. Ze gaat snel naar het bed van mijn vader. Mijn vader die ik nooit zieker heb gezien dan met een zware verkoudheid (“Ach, stelt niets voor, even uitzieken,” zei hij dan en snoot nog eens goed zijn neus), lag na een ongeluk ineens in het ziekenhuis. Nog erger: hij lag direct in de operatiekamer.

De neurochirurg was er nog net op tijd bij. Met spoed haalde hij een forse bloeding weg. Over het kalende hoofd van mijn vader loopt nu van kruin tot oor, een met glimmende krammen gehechte wond. Een luikje noemde de chirurg het.

Ik kijk hoe mijn moeder haar man begroet. Ze kust op zijn wang, streelt zijn arm en houdt zijn hand vast. Ze noemt zijn naam. Met alle goede wil in de wereld zie ik geen reactie. Ik hoor alleen het druppelen van het infuus. Zijn ogen blijven gesloten. Pas later voel ik zijn vingers knijpen in mijn hand. De verpleegkundige zegt dat een patiënt met hersenletsel zich juist rustig houdt bij mensen die hem vertrouwd zijn. Hij heeft alle energie nodig voor herstel, legt ze uit als ze zijn sondevoeding vervangt. Ik kan niets anders dan haar geloven en hoop dat hij merkt dat we er zijn. Dus raak ik hem aan en praat tegen hem.

In ons gezin was ik de enige die verstand van hersenziektes had, als ervaringsdeskundige. Mijn zus en moeder leren nu snel bij. Ik ook. Ik leer hoe ik kan mantelzorgen en hoe veel voldoening het geeft als ik mijn moeder met een klein klusje kan helpen. Wat ik doe stelt niets voor, maar ze zegt zo blij te zijn dat ik bij haar ben en haar help. Natuurlijk wist ik uit ervaring wat mantelzorg inhoudt. Nu maak ik het mee van de andere kant van de mantel en ontdek dat niets te klein is om mee te ondersteunen. Het mag bijna geen ‘zorg’ heten.