Op een gele fiets rijd ik door Delft. Het is zaterdag, marktdag. Ik laveer tussen slenterende mensen door. Zonder ongelukken bereik ik de gracht waar mijn zoon woont. Met zijn sleutel open ik het poortje dat naar een fietsenstalling leidt. Via de keuken stap ik zijn studentenhuis in. Ik loop door donkere gangen. Ik herken de geur die een oud huis aanneemt als er jarenlang studenten wonen.

Deze zaterdagmiddag is er weinig leven in het pand. Op de tweede trap tref ik een huisgenoot. Ze knikt als ik vraag of dit de weg is naar mijn zoons kamer. Ik neem aan dat zij weet dat ik tijdens de ouderdag van de studievereniging een dutje zou doen op zijn kamer. 

Vlak voor ik op zijn gele fiets stapte, leidde mijn zoon mij rond door de faculteit. De atelierruimte waar hij zijn tekeningen en maquettes maakt, zit bovenin. Daarom had hij een liftpasje geregeld. Dat scheelt een hoop traplopen, zei hij zorgzaam. Toen we uit de lift stapten, sprak een docent hem aan. Dat had mijn zoon goed voor elkaar, zo’n liftpasje. Al was het geen aanval, een uitleg leek op zijn plaats. ‘Het is niet voor mij, maar voor mijn vader,’ verklaarde mijn zoon. Ik merkte zijn aarzeling. Moest hij het beestje bij de naam noemen, dat zijn vader parkinson heeft? Hij liet het in het midden. Ik mompelde wat over fysieke ongemakken en dat ik met het pasje de ouderdag beter kon volhouden. De man knikte en begon over iets anders. 

Parkinson heb je niet alleen, ook je gezin heeft het. Mijn zoon moet regelmatig vertellen over mijn ziekte. Dat zijn vader daarom niet werkt, de lift neemt of een middagdutje komt doen. Ik begrijp goed dat hij niet altijd zin heeft uit te leggen hoe het zit. Niet uit schaamte of ontkenning, maar je bent liever geen buitenbeentje. Als zoon moet je er maar mee om te weten gaan. Daar dacht ik over na toen ik op zijn studentenkamer lag uit te rusten. Ik concludeerde dat mijn zoon dat goed doet. 

Toen ik uitgerust was, reed ik per gele fiets terug naar de ouderdag. Tijd voor de borrel.