Met moeite verstond ik mijn vader. Hij sprak zachtjes sinds zijn ongeluk. Dat was op zich geen probleem. Immers, even had het erop geleken dat praten er nooit meer in zou zitten. Dus die zachte stem was peanuts. 

Alleen onhandig op deze plek. 

We zaten in de gemeenschappelijke ruimte van het revalidatiecentrum. Hier werkte hij hard om naar huis te mogen. Met looptraining, balansoefeningen en dagelijkse tochtjes op de hometrainer. Hij herstelde, met kleine stapjes, maar wel stapjes vooruit. 

Waar we zaten, ging alles gezamenlijk: eten, koffie drinken, wachten en tv-kijken. Wij zaten vlakbij de televisie. Op de salontafel, naast onze koffiebekertjes lag de afstandbediening. Laatst had een bewoner die in zijn zak meegenomen naar zijn kamer, vertelde mijn vader. Onvindbaar. Noodgedwongen keek iedereen voetbal, gezamenlijk.

Tegenover ons zat een patiënt met een Amsterdamse tongval en dito volume. Beetje overheersend, maar mijn vader vond hem oké. ‘s Avonds kletsten ze tijdens het gezamenlijke tv-kijken. 

Kletsen is hier niet met iedereen mogelijk. Bij het raam zag ik een vrouw in een rolstoel. Haar hoofd hing scheef. Opengevallen mond. Sliertjes slijm op haar wang. Achter haar een vrouw, met ingevallen wangen en grijs, dun haar. Ze herhaalde steeds, tegen niemand in het bijzonder: ‘Ik hou het niet meer vol, ben zo moe.’ Onder de bewoners herkende ik mijn trillende of vastgevroren lotgenoten, gevorderd zowel in leeftijd als in ziekteproces. 

Ik sloot mijn ogen voor deze blik in mijn toekomst. Ik focuste me op mijn vaders zachte stem. Wie er op bezoek waren geweest? Zijn antwoord ging verloren in een orkaan van lawaai. Op luide toon sprak de Amsterdammer in zijn telefoon, die in de luidsprekerstand stond. Ons gesprek viel noodgedwongen stil. 

Ik dacht: ‘Mijn oude dag wordt allesbehalve rustig.’

Toen het stil werd zei mijn vader nog iets fijns. Hij mocht volgende week naar huis. Praat wel zo rustig.